Wonen, werken en ontspannen op een kluitje

/, Stedenbouw/Wonen, werken en ontspannen op een kluitje

Snel lezen

  • De komende dertig jaar komen er wekelijks acht miljoen stadsbewoners bij;
  • Dichter op elkaar wonen spaart ruimte, natuur en energie;

Gepubliceerd in De Ingenieur, augustus 2014

Steeds hoger bouwen is niet altijd de oplossing, zegt ir. Bill Baker. Dat klinkt wat wonderlijk uit de mond van iemand die als civiel ingenieur bij Skidmore Owings & Merrill verantwoordelijk was voor de constructieve aspecten van het hoogste gebouw ter wereld, de Burj Khalifa in Dubai. Wat hij ermee wil zeggen is niet dat we nog veel meer en veel hogere gebouwen moeten bouwen, maar dat we moeten kijken naar de dichtheid, naar het aantal mensen per vierkante kilometer. En die daalt.

Baker sprak op het symposium ‘The Future of Cities: Dense or Dispersed?’ dat medio februari werd gehouden in Chicago. Als voorbeeld van verdunning noemde hij Chicago, de stad waar hij zelf woont en werkt. In 1950 telde de stad 6000 bewoners per vierkante kilometer. Ruim zestig jaar later is dat aantal gehalveerd. Jaarlijks is gemiddeld een half miljoen hectare landbouwgrond en natuur opgeofferd voor het aanleggen van buitenwijken, waar middle-class America zijn ideaal van een vrijstaand huis op een lap grond kon verwezenlijken. Met als gevolg dat Suburbia een bevolkingsdichtheid heeft van nog geen 1000 inwoners per vierkante kilometer.

Ter vergelijking: Den Haag, de gemeente met de hoogste dichtheid, telt 6200 inwoners per vierkante kilometer, evenveel als Chicago in de jaren vijftig. Anders dan in de Verenigde Staten is ons Suburbia, de VINEX-wijk nog redelijk dicht bevolkt met rond de 4000 inwoners per vierkante kilometer. Toch is ook hier de trend naar lagere dichtheden waarneembaar ten koste van landbouwgrond en natuur. In de afgelopen dertig jaar is het oppervlak bebouwd gebied in Nederland met 400 vierkante kilometer uitgebreid.

 

Energiebesparing

Voor echt hoge dichtheden moet je toch in stadswijken als Manhattan en steden als Hongkong zijn, met dichtheden die variëren van 25.000 tot 60.000 bewoners per vierkante kilometer. Het voordeel van bouwen in hoge dichtheden is niet alleen ruimtebesparing, maar ook energiebesparing. Volgens Baker is de CO2-uitstoot per inwoner in New York minder dan een derde dan het gemiddelde van de Verenigde Staten. Voor een deel komt dat omdat woningen ‘downtown’ meestal kleiner zijn en als het gaat om flats meestal maar twee en maximaal vier oppervlakken hebben die met de buitenlucht in verbinding staan. Maar de belangrijkste besparing zit hem toch in het transport. Amerikaanse huishoudens in de binnenstad gebruiken dertig procent minder energie voor transport dan de huishoudens in de buitenwijken. Niet alleen voor woon-werkverkeer, maar ook voor recreatie. De vergelijking wordt nog extremer als we het energieverbruik van een inwoner van Houston – een ‘sprawled city’, waar je voor een pak melk een kwartier moet rijden – vergelijkt met Hongkong, een van de meest compacte steden ter wereld. Dat scheelt meer dan een factor 10 (65.000 MJ per jaar om 5000 MJ per jaar).

Toch hoogbouw, dus. Dat lijkt inderdaad het antwoord in Azië, het Midden-Oosten, delen van Afrika en andere gebieden waar de stadsbevolking in hoog tempo toeneemt als gevolg van vooral binnenlandse migratie. Telde de wereld in de jaren zestig nog maar twee of drie gebouwen hoger dan 200 meter, inmiddels zijn dat er al meer dan 900, waarvan er 70 hoger zijn dan 300 meter. Volgens Antony Wood, directeur van de Council on Tall Buildings and Urban Habitat staat het overgrote deel van de hoge gebouwen nu in Azië (45%) en het Midden-Oosten (27%). De laatste twintig jaar neemt ook het aandeel woningen in die hoge en zeer hoge gebouwen toe. In 1990 waren vrijwel alle hoge gebouwen in gebruik als kantoor of hooguit in combinatie met een hotel. Inmiddels is dat nog maar de helft en neemt het aandeel woningen toe, vaak in combinatie met kantoren en hotels, maar meer dan tien procent van de allerhoogste gebouwen telt alleen woningen.

 

Gemakzuchtig

Dr. Antony Wood, die een paar jaar geleden promoveerde aan de Universiteit van Nottingham (GB) op een nieuwe typologie van hoge gebouwen, beaamt dat urbanisatie in combinatie met hoge grondprijzen belangrijke drijfveren zijn om hoger en hoger te bouwen. Mede daardoor is het merendeel van die gebouwen slecht ontworpen. Veel hoge gebouwen zijn een gemakzuchtige kloon van het Seagram Building in Chicago dat in 1958 is ontworpen door Mies van der Rohe en Philips Johnstone. Toen een revolutionair ontwerp, maar de gemakzuchtige kopieerdrift heeft er een karakterloze, verticale doos van gemaakt, die leidt tot eenvormigheid van steden.

Voor een deel als reactie op de commerciële eenvormigheid, worden er – dankzij de nieuwe vormvrijheid die de computer biedt – tegenwoordig ook hoge gebouwen neergezet die het tegenovergestelde beogen. Ze vormen als het ware een stedelijke sculptuur, een beeldhouwwerk, dat de stad smoel moet geven, zoals eertijds de Eiffeltoren in Parijs. Maar hoeveel Eiffeltoren kan een stad hebben? Als voorbeeld van hoe het niet moet laat Wood een plaatje zien van de twee torens van het Ras Al Khaimah Financial Centre in de Verenigde Arabische Emiraten, die zich als een soort poliepen verheffen uit hun omgeving. Het idee was om er nog tien van dergelijke sculpturen naast te bouwen (‘een hele menagerie’, aldus Wood), maar de financiële crisis heeft in ieder geval tijdelijk roet in het eten gegooid.

 

Statements

Of het nu gaat om de fantasieloze verticale dozen of om de uitbundige sculpturen, veel hoge gebouwen zijn geïsoleerd van hun stedelijke omgeving. Het zijn ‘statements’ van ‘starchitecten’ en/of projectontwikkelaars, die geen enkele relatie hebben met hun omgeving. Je kunt ze bij wijze van spreken overal ter wereld neerzetten en bijna overal roepen ze irritatie op of op zijn best onverschilligheid, omdat ze niet aansluiten bij wat Wood noemt de culturele integriteit en de continuïteit van lokale stedelijke ontwikkeling.

Op een dieper liggend niveau lopen we met neerplanten van geïsoleerde hoge gebouwen het risico dat de stad zijn ‘stadheid’ ontnemen, zijn ‘cityness’, stelt de bekende Amerikaans-Nederlandse sociologe dr. Saskia Sassen, hoogleraar aan de Columbia University in New York. Een stad is volgens haar meer dan een reeks gebouwen, onderling verbonden door een fysieke infrastructuur. Een stad is ook meer dan de mensen die er wonen en de activiteiten die ze ontplooien. Steden zijn complexe systemen, die voortdurend worden gemaakt. Niet alleen fysiek door sloop en nieuwbouw, maar ook politiek, sociaal en cultureel. Elke stedelijke gemeenschap heeft zijn eigen DNA en daarom is elke stad verschillend. Als je daar geen rekening mee houdt, dan verdwijnt de ziel uit de stad en wordt het een bebouwd terrein, zoals een industrieterrein of een kantorenpark.

 

Rethinking metropoles

Hoog tijd dus voor ‘rethinking metropoles’, het opnieuw doordenken van de grote en snelgroeiende steden, vindt de Nederlandse architect Wiel Arets. Sinds vorig jaar is hij decaan van het prestigieuze College of Architecture van het Illinois Institute of Technology in Chicago. Niet een keer opnieuw doordenken, maar als permanent proces omdat we, dankzij de snelle ontwikkelingen in de technologie niet veertig, vijftig jaar vooruit kunnen kijken. Wie weet gaan we over vijftig jaar naar ons werk in een personenwagen die ook kan vliegen, zoals de Nederlandse PAL-V, een driewielige sportwagen annex gyrocopter die onlangs het luchtruim koos. Of we gaan misschien helemaal niet meer naar ons werk en wordt het areaal aan leegstaande vierkante meters kantoren alleen meer groter.

Wat we ons bij het opnieuw doordenken van stedelijke ontwikkeling goed moeten bedenken, is volgens Arets, dat de stad en de gebouwen bedoeld zijn voor mensen. Zij zijn de gebruikers en niet de overheid, de woningcorporatie of de projectontwikkelaar. Als voorbeeld van een leefbare en toch zeer dichtbevolkte stad noemt hij Tokio, waar hoogbouw en laagbouw elkaar afwisselen en ondanks, of misschien wel dankzij, de hoge bevolkingsdichtheid (15.000 mensen per vierkante kilometer) de verschillende wijken hun eigen karakter hebben behouden. De leefbaarheid van Tokio leunt overigens voor een belangrijk deel op het snelle en zeer efficiënte openbaar vervoer.

Volgens Arets moeten we de plattegrond ontstijgen en in drie dimensies gaan denken als het gaat om stedelijke ontwikkeling. Of misschien zelfs wel in vier als je ook rekening houdt met het feit dat mensen zich willen verplaatsen. Een hoog gebouw is dan niet meer een geïsoleerd eiland waarin mensen wonen of werken, maar vormt als het ware een verticale wijk, met winkels, voetbalveldjes, een bibliotheek, een huisartsenpraktijk en een ‘sky park’, waar je de hond kan uitlaten. In plaats van veertig verdiepingen naar beneden te moeten en nog eens honderd meter te moeten lopen naar de supermarkt voor een vergeten pak melk, loop je een paar verdiepingen naar boven naar de buurtsuper.

 

Repliceren

Wood van de Council on Tall Buildings and Urban Habitat gaat nog een stap verder en pleit ervoor om hoge gebouwen, via luchtbruggen met elkaar te verbinden. Het is toch raar, zegt hij, dat we steeds hoger bouwen, terwijl tegelijkertijd de begane grond de enige plek is voor horizontale verbinding tussen de hoge gebouwen. Het ‘repliceren’ van de begane grond op verschillende hoogtes biedt allerlei voordelen. Zo hoeven mensen niet meer helemaal naar beneden of naar boven voor een bezoek aan de huisarts of de bibliotheek die in een ander gebouw is gevestigd. Dat scheelt tijd en (elektrische) energie voor de lift. Luchtbruggen vormen bovendien een veilige vluchtroute als het gebouw ontruimd moet worden vanwege brand of een andere calamiteit.

Volgens Wood hebben we de verticale component van de stad te lang overgelaten aan de projectontwikkelaar. Er zijn nieuwe bestuurlijke, politieke en financiële arrangementen nodig om hoge gebouwen op te nemen in het weefsel van de snel groeiende steden en zo de grote metropolen met duizenden inwoners per vierkante kilometer leefbaar te houden. Doen we dat niet dan jagen we de mensen met een modaal of hoger inkomen de stad uit en scheppen we de voorwaarden voor het ontstaan van binnenstedelijke ‘banlieus’, die zich kenmerken door armoede en criminaliteit.

 

Untitled

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

Ras Al Khaimah Financial Centre in de Verenigde Arabische Emiraten

 

L0_0644_0382_rak-1(2)

 

 

 

 

Een ‘menagerie’ aan gebouwen, gepland als aanvulling op het Ras Al Khaimah Financial Centre in de Verenigde Arabische Emiraten.

 

timbertowerhero_0

 

 

 

 

 

 

 

 

 

TIMBER TOWER

Vergeleken met laagbouw is de CO2-voetafdruk van hoge gebouwen significant hoger per vierkante meter vloeroppervlak, omdat hoogbouw per definitie meer en zwaardere dragende delen bevat dan laagbouw. Om de CO2-voetsfdruk te verminderen heeft Skidmore Owings & Merrill onlangs een studie uitgevoerd naar het gebruik van hout als alternatief voor beton en staal. Daarbij is uitgegaan van een bestaande wolkenkrabber van 42 verdiepingen. Technisch blijkt het mogelijk om voornamelijk hout, aangevuld met beton en staal, te gebruiken als dragende constructie. De CO2-voetafdruk neemt daardoor af met 60 tot 75 procent.

Ref. Timber Tower Research Project, Final report, Skidmore Owings & Merrill, LLP, 2013

 

 

 

concorcio-santiago-2

 

 

 

 

 

Antony Wood pleit voor ‘green washing’ van hoge gebouwen door aanbrengen van vegetatie op de gevel. Het biedt variatie en is bovendien goed voor het leefklimaat in de stad. Recent onderzoek in Melbourne heeft laten zien dat de temperatuur in de zomer wel een paar graden lager kan zijn dankzij begroeiing. Bij hele hoge gebouwen, zoals de Burj Khalifa, moet de vegetatie worden aangepast aan de hoogte.

By |2016-01-02T12:36:59+00:00augustus 12, 2014|