Wetenschapsjournalistiek vaak te goedgelovig

/, Wetenschapsjournalistiek/Wetenschapsjournalistiek vaak te goedgelovig

Snel lezen

  • Wetenschappers worden nogal eens verheerlijkt door wetenschapsjournalisten;
  • Freelancer moet duidelijk maken welke pet hij/zij op heeft;

Gepubliceerd in Flux, januari 2015

Onlangs verscheen er een opmerkelijke column in Nature van Susan Watts, tot eind vorig jaar wetenschapsredacteur van het programma Newsnight van de BBC. Ze moest daar weg, omdat haar functie werd opgeheven. Hoewel geen voetbalfan was het haar opgevallen dat steeds meer oud-voetballers en trainers de berichtgeving rond voetbal verzorgen op televisie. De verslaggeving wordt nog wel gedaan door journalisten, maar de analyse en duiding gebeurt door direct betrokkenen.

Volgens Watts zien we iets dergelijks ook in de wetenschapsjournalistiek. ‘We gebruiken liever wetenschappers om een wetenschappelijk onderwerp te presenteren, dan journalisten’, kreeg ze van een van de BBC-bazen te horen, ‘want die zijn geloofwaardiger.’ In Nederland zien we iets vergelijkbaars. Wetenschappers schuiven aan bij De Wereld Draait Door en Pauw, waarbij hen kritiekloze bewondering ten deel valt. De gastheren koketteren zelfs met hun onwetendheid over alles wat maar enigszins naar bèta of getallen ruikt. Diezelfde onwetendheid over bèta-onderwerpen zien we trouwens bij de nieuwsrubrieken van NOS en commerciële omroepen, die niet eens een wetenschapsredactie hebben.

Bij andere media ligt het wat subtieler. Een aantal kranten, zoals het Parool, heeft de wetenschapsjournalistiek uitbesteedt aan de redactie van een universiteitsblad. Andere kanten beperken zich tot het nagenoeg integraal overnemen van persberichten van universiteiten en onderzoeksinstellingen en een nieuwssite als Nu.nl betrekt zijn wetenschapsnieuws van onderbetaalde freelancers. Alleen NRC en Volkskrant houden nog wel een serieuze wetenschapsredactie in de benen en beschikken over een netwerk aan freelancers.

 

Goedgelovig

Je kunt je afvragen hoe serieus wetenschapsjournalisten hun journalistieke taak, de controle van de macht, opvatten. Naar aanleiding van de affaire Diederik Stapel constateerde mediahoogleraar Jo Bardoel dat wetenschapsjournalisten overdreven veel ontzag hebben voor onderzoekers en voor wetenschappelijke resultaten. En Frank Miedema, woordvoerder van Science in Transition, vroeg vorig jaar om een Joris Luyendijk voor de wetenschapsjournalistiek om de echte verhalen uit de wetenschap te vertellen.

In een Skype-interview bevestigt Dan Fagin dat beeld. ‘Het komt nogal eens voor dat wetenschap en wetenschappers worden verheerlijkt door wetenschapsjournalisten.’ Fagin is van huis uit journalist en sinds 2005 hoogleraar Science, Health & Environment Reporting aan de Universiteit van New York. Dit jaar won hij de prestigieuze Pulitzer prijs voor zijn boek ‘Toms river: a story of science and salvation’. Wetenschapsjournalistiek houdt volgens hem in dat je naar beste weten probeert om de realiteit te beschrijven, ook als onderzoekers of instellingen daardoor negatief over het voetlicht komen. Fagin: ‘Wetenschappers hebben net zoveel tekortkomingen als andere mensen, daar moet je als journalist kritisch op zijn. Niet zomaar dingen aannemen omdat er een stempeltje wetenschap op staat.’

Ook Alice Bell ziet vaak al te goedgelovige journalisten, die onderzoekers die een doorbraak melden, op hun woord geloven’. Bell is freelance schrijver en houdt zich bezig wetenschap- en technologiebeleid. Ze is redacteur van een webmagazine over innovatie en blogt over wetenschapsbeleid voor dagblad The Guardian. ‘Veel kopij die ik moet redigeren is vaak niet van public relations te onderscheiden. Wetenschapsjournalisten vinden het blijkbaar moeilijk om kritische vragen te stellen aan wetenschappers.’

 

Groeiende achterdocht

De vraag is waar je loyaliteit ligt als wetenschapsjournalist, bij je publiek of bij de wetenschap. Bell: ‘Een paar jaar geleden verscheen er een onderzoek over gezondheidseffecten van genetisch gemodificeerde gewassen. Het Britse Science Media Centre heeft toen geprobeerd om de resultaten van het onderzoek uit de media te houden. Dat is gelukt, mede dankzij de medewerking van wetenschapsjournalisten, die vonden dat mensen nodeloos bang zouden worden gemaakt, als ze over het onderzoek zouden publiceren.’

‘Mijn instinctieve reactie is dat het ondemocratisch en ook wel zorgwekkend is om die informatie weg te houden van je publiek. Aan de andere kant kun je je afvragen of het publiceren van het artikel wel democratisch is. Er zijn groepen die bewust nepwetenschap verspreiden en promoten om hun eigen standpunten op te dringen, de tabakslobby bijvoorbeeld, maar ook de anti-GMO lobby. Dus ik kan me voorstellen dat het Science Media Centre en de betrokken journalisten denken dat ze de democratie juist een dienst hebben bewezen door het onderzoek dood te zwijgen. Aan de andere kant: die discussie wordt toch wel gevoerd via internet. Door er niet over te publiceren, maak je de mensen misschien nog achterdochtiger.’

Dan Fagin zou er wel over schrijven. ‘Journalisten, ook wetenschapsjournalisten, moeten controversiële onderwerpen niet uit de weg gaan, want je publiek heeft er recht op om te weten hoe het zit. Dat is overigens wat anders dan enerzijds-anderzijds journalistiek (balancing). Een journalist is geen stenograaf die braaf opschrijft wat opponenten beweren. Nee, je taak is om op basis van gegevens en gesprekken met experts argumenten te wegen en daar conclusies aan te verbinden. In geval van vaccinatie bijvoorbeeld is het vrij duidelijk dat de voordelen ruimschoots opwegen tegen de nadelen. Maar ook als het minder duidelijk is, in geval van ‘fracking’ bijvoorbeeld, moet je die afweging terug zien in je verhaal.’

 

Buitenlands correspondent

Die ‘opdracht’ van Dan Fagin sluit aan bij wat Hans Peter Peters verwacht van een wetenschapsjournalist. ‘Als ik een krant koop’ zegt hij, ‘dan huur ik iemand waarvan ik mag aannemen, vertrouwen zelfs, dat hij of zij goed geïnformeerd is over wat er speelt en wat dat voor mij betekent.’ Peters is sociaal wetenschapper bij het Forschungszentrum Julich en hoogleraar aan de Freie Universität Berlin. Als zodanig maakt hij deel uit van een vrij recente traditie in Duitsland om meer academische aandacht te schenken aan wetenschapsjournalistiek.

‘De Nederlandse arts/wetenschapsjournalist Aart Gisolf heeft een wetenschapsjournalist vergeleken met een buitenlandcorrespondent. Zo iemand schrijft vanuit het perspectief van zijn publiek, niet vanuit het perspectief van het land waar hij over schrijft. Ook voor de wetenschapsjournalist geldt dat de criteria waarmee hij onderwerpen selecteert en de invalshoek die hij kiest relevant moeten zijn voor zijn publiek en dus niet voor de wetenschap.’

Die externe selectiviteit is typisch voor journalisten, meent Peters. ‘Wetenschapsvoorlichters en wetenschappers zelf kunnen ook wetenschap vertalen naar een groot publiek. Het essentiële verschil is dat een voorlichter van een universiteit altijd het belang van zijn instelling in het achterhoofd heeft. En een bloggende wetenschapper denkt altijd aan het belang van zijn onderzoek of zijn carrière. Ze kunnen wel journalistiek simuleren, maar niet vervangen. Het verschil is dat een onafhankelijk journalist geen belang heeft bij het onderzoek of de instelling. Zijn loyaliteit ligt bij zijn publiek.’

 

Verschillende perspectieven

Volgens Peters moet een journalist onderwerpen vanuit verschillende perspectieven kunnen belichten. ‘Als je over wetenschap publiceert, doe je dat niet vanuit het perspectief van wetenschappers, maar vanuit economisch, politiek, cultureel of moreel perspectief, of vanuit het perspectief van het alledaagse leven. Enerzijds levert dat een beeld op van wetenschap in relatie tot beleid, economie en moraliteit. Anderzijds hou je op die manier de wetenschap ook een spiegel voor: ‘kijk zo ziet de buitenwereld jullie’. Daarom is onafhankelijke journalistiek belangrijk voor de wetenschap zelf.’

Alice Bell constateert dat juist op dat punt wetenschapsjournalisten vaak tekortschieten. ‘De politieke aspecten van wetenschap, komen niet of nauwelijks aan de orde. Als er op dat vlak al wat wordt gedaan, dan gebeurt dat meestal door journalisten van de redactie binnenland of economie. Dat is erg jammer, want ik denk dat wetenschapsjournalisten in principe veel beter over zulke onderwerpen kunnen berichten, omdat ze de nitty gritty details van het wetenschapsbedrijf kennen.’

Zelf blogde ze over de deels geheime overeenkomsten die Shell heeft gesloten met een aantal universiteiten en nationale onderzoeksraden. ‘Zelf vind dat een onderwerp dat het waard is om tot de bodem te worden uitgezocht, maar het is erg lastig om een krant of tijdschrift te vinden dat je voor een aantal weken wil betalen. De wetenschapsredactie vindt het te saai, want het gaat niet over spectaculaire onderzoeksresultaten, maar ondertussen toont het wel de verstrengeling tussen universiteit.’

 

Twee petten

Geldgebrek bij redacties leidt er ook toe dat freelancers steeds vaker opdrachten aannemen van universiteiten en onderzoeksinstellingen, waarbij ze niet als onafhankelijk journalist, maar als voorlichter of PR-persoon opereren. ‘Tien, vijftien jaar geleden was zo’n dubbele pet uit den boze’, zegt Dan Fagin. Ondertussen is de situatie veranderd en is het als freelancer moeilijker geworden om te overleven. Fagin: ‘Ik denk dat je deze twee rollen kunt combineren, vooropgesteld dat je de redacteur – en in sommige gevallen misschien ook je publiek – duidelijk maakt dat er een belangenconflict kan zijn.’ Belangrijk is volgens hem dat je ‘ het onderwerp kunt benaderen vanuit het perspectief van de onafhankelijke journalist.. zelfs als dat betekent dat je geen opdrachten meer krijgt van de universiteit.’

Alice Bell vindt het geen heel groot probleem, tenminste als duidelijk is welke pet je op hebt. Toch lijkt het haar zuiverder als wetenschapsjournalistieke projecten, waar kranten en tijdschriften geen geld voor (over) hebben publiek gefinancierd zouden worden. Via crowd funding bijvoorbeeld. Of uit onderzoeksgelden. Bell: ‘De onderzoeksgemeenschap zou meer geld aan onafhankelijke wetenschapsjournalistiek. De wetenschap zelf heeft daar ook baat bij, want meer en betere wetenschapsjournalistiek leidt op den duur ook tot meer fondsen voor onderzoek.’

 

Voorbij de verwondering

Al met al lijkt de toekomst van de wetenschapsjournalistiek te liggen in een kritische en onafhankelijke benadering van onderzoekers en hun instellingen, zonder de suggestie te wekken dat wetenschap ‘ook maar een mening is’. Een lastige opdracht, maar wel noodzakelijk. Om Susan Watts nog eens te citeren: ‘Society needs more than wonder to respect science.’

By | 2016-01-02T20:45:49+00:00 januari 2, 2015|