VLEES TEN ONRECHTE IN VERDACHTENBANK

/, Landbouw/VLEES TEN ONRECHTE IN VERDACHTENBANK

In kringen van duurzame ontwikkeling is het een breed geaccepteerd dogma dat het eten van vlees en dierlijke producten — en dan vooral rood vlees — slecht is voor natuur en milieu. Het is in ieder geval niet ‘duurzaam’. Er valt echter het nodige af te dingen op dat dogma. Willen zeven en straks negen miljard mensen voldoende kunnen eten dan hoort vlees op het menu.

 

Dat het eten van vlees niet duurzaam is, stoelt op twee veronderstellingen. De ene is dat voor de productie van dierlijke eiwitten ongeveer tien keer meer landbouwgrond nodig is dan voor de productie van eenzelfde hoeveelheid plantaardige eiwitten. Voor rood vlees komt daar nog bij dat herkauwers een forse bijdrage leveren aan het broeikaseffect doordat ze methaan produceren.

Om met de laatste veronderstelling te beginnen: sinds de film ‘Meat the truth’ uitkwam in 2008 is er heel wat discussie geweest over de cijfers in het rapport ‘Livestock’s long shadow’, het FAO-rapport. Daarin stelt onderzoeker Henning Steinfeld dat de veehouderij 18% bijdraagt aan de antropogene (merkwaardig woord in dit geval) uitstoot van CO2. Die bijdrage valt grofweg in drie gelijke delen uiteen: ontbossing en de uitstoot van respectievelijk lachgas en methaan.

 

Benign extravagance

In zijn boek ‘Meat a benign extravagance’ neemt de Britse boer en adviseur Simon Fairlie die 18% nog eens kritisch onder de loep. Een derde van de uitstoot (6% van de totale antropogene CO2) moet worden toegeschreven aan ontbossing en dan met name in Zuid-Amerika. Tweederde van het ontboste areaal is bestemd voor graasland; een derde voor de productie van soja, dat voor een deel als grondstof voor veevoer wordt gebruikt en voor een deel voor humane voeding.

Fairlie vindt het tamelijk discutabel om de CO2-emissie als gevolg van ontbossing geheel toe te schrijven aan de veehouderij. Tropisch bos wordt in eerste instantie ontsloten voor de winning van hout en van goud en andere kostbare metalen. Waar aangetaste bossen worden omgezet in graasland gebeurt dat, volgens Fairlie, vooral vanwege grondspeculatie; gebrandmerkte koeien fungeren daarbij als mobiele eigendomsclaim.

 

Lachgas

In zijn FAO-rapport schrijft Steinfeld nog eens een derde van de uitstoot (5,5% van het totaal) toe aan de vorming lachgas in dierlijke mest die op het land wordt verspreid. Ook daar valt het nodige op af te dingen. Ongeveer 1% van alle stikstof die op het land wordt gebracht, of die nu afkomstig is van kunstmest, dierlijke mest of groenbemesters, wordt omgezet in lachgas.

Zou je geen dierlijke mest meer hebben, omdat we allemaal veganistisch zijn geworden, dan zul je toch nog steeds stikstof op het land moeten brengen, hetzij gemaakt van aardgas, hetzij via groenbemesting. Omdat ook daarvan 1% wordt omgezet in lachgas, maakt dat dus niet zoveel uit. Eerder is sprake van een stijging van de CO2-uitstoot doordat er nog meer aardgas in stikstofkunstmest moet worden omgezet.

 

Methaan

Het laatste derde deel van de bijdrage van de veehouderij aan de emissie van broeikasgassen betreft het al genoemde methaan. Van de 175 kilo die een koe per jaar produceert, komt 125 kilo naar buiten via boeren en winden, terwijl 50 kilo vervluchtigt uit de mest. Je kunt die uitstoot misschien wel iets reduceren via het aanpassen van het voer of via het aanpassen van herkauwers door genetica, maar methaanvorming hoort nu eenmaal bij het metabolisme van herkauwers.

In zijn boek voert Simon Fairlie een interessant gedachte-experiment uit. Stel dat we alle herkauwers zouden slachten. Een deel van de gronden waarop ze grazen is niet geschikt voor akkerbouw (we komen daar zo nog op terug). Voor zover ze niet bebouwd of geasfalteerd worden zouden de graaslanden dus geleidelijk aan weer bevolkt worden door wilde dieren.

 

Serengeti

Dat is al eens vertoond. Toen het Serengeti wildpark werd opgericht in 1951 moesten de daar aanwezige Maasai hun boeltje pakken en met hun vee de wijk nemen naar elders. In de periode daarna is het aantal herkauwers in het gebied verveelvoudigd. In 1960 bijvoorbeeld waren er 250.000 wildebeesten (gnoe’s) in het gebied; twintig jaar later waren dat er 750.000. In totaal telde de Serengeti toen twee miljoen grote herkauwers. In de Oostvaardersplassen is de dichtheid aan herkauwer4s waarschijnlijk niet veel kleiner, trouwens.

Als je van alle graaslanden in de wereld – bij elkaar een kleine 40 miljoen vierkante kilometer – gebieden zou maken met een even grote dichtheid aan herkauwers als de Serengeti, dan zou de uitstoot van methaan de helft tot driekwart zijn van wat die nu is. Tel je daar ook nog bij op de uitstoot van methaan door allerlei kleine grazers, konijnen bijvoorbeeld, maar ook termieten en andere insecten, dan zou het nog wel eens evenveel of meer kunnen zijn.

 

Alles bij elkaar komt Fairlie – grotendeels op basis van de gegevens uit het FAO-rapport zelf en het laatste IPCC-rapport – tot de conclusie dat de bijdrage van de veehouderij aan de emissie van broeikasgassen hooguit de helft is van wat Henning Steinfeld in zijn rapport uit 2006 beweert. Het rapport zou ook nooit bedoeld zijn als argument tegen de veehouderij. Steinfeld en de FAO wilden vooral de nadruk leggen op de nadelen van de extensieve veehouderij. Desondanks blijft die 18% steeds weer opduiken als argument tegen het eten van vooral ‘rood vlees’ van herkauwers.

 

Areaal

Minstens even hardnekkig is de bewering dat voor de productie van dierlijke eiwitten veel meer areaal nodig is dan voor de productie van plantaardige eiwitten. De verhouding hangt af van de diersoort en de omzetting van voer naar vlees. Voor kippen is die twee of drie keer zoveel, voor varkens vier a vijf keer zoveel en voor koeien tien tot twaalf keer. Ook op die bewering valt het nodige af te dingen.

Om te beginnen is de voedingswaarde van plantaardige eiwitten een stuk minder dan die van dierlijke eiwitten. Dat scheelt een factor anderhalf. Daarbij moet je denken aan verminderde opname, niet alleen van plantaardige eiwitten, maar van vitamines (vooral A en B-complex) en mineralen, zoals ijzer, zink en kalk. Je moet dus per persoon anderhalf keer meer plantaardige eiwitten consumeren (en dus ook produceren) dan dierlijke en dan loop je ook nog het risico dat je te weinig ijzer en zink binnenkrijgt.

 

Vierkantsverwaarding

Een tweede kanttekening is dat in de vergelijking alleen wordt gekeken naar eiwitten of — laten we het breder houden — het eetbare deel van dieren. In de praktijk echter worden niet alleen de eetbare, maar ook de oneetbare delen van met name varkens en koeien maximaal benut. Omgekeerd dient ook niet de hele plant als veevoer. In geval van soja bijvoorbeeld wordt de olie gebruikt als spijsolie – voor mensen dus.

Wat de oneetbare delen van het dier betreft kunnen we verwijzen naar het boek ‘Pig 05049’ van ontwerper Christien Meindertsma, waarin ze nauwkeurig de moderne vierkantsverwaarding van het varken in kaart brengt. Het beest levert de grondstof voor een kleine tweehonderd producten, variërend van gelatine uit bot tot hemoglobine in sigarettenfilters en hartkleppen voor mensen.

Voor koeien geldt iets dergelijks. De huid wordt gebruikt voor leren schoenen, jasjes en tasjes; de haren als penseel en de botten als grondstof voor lijm. Om maar een paar producten te noemen. Sommige herkauwers zoals schapen en (mohair-) geiten worden vooral om hun wol gehouden. Daar is het vlees het bijproduct.

 

Gras

De derde kanttekening is dat een groot deel van het voer dat dieren eten niet erg geschikt is voor menselijke consumptie. Enorme hoeveelheden afval uit de levensmiddelenindustrie vinden hun weg naar kippen, varkens en koeien, variërend van bierbostel uit de brouwerij en stoomschillen uit de fritesfabriek tot over-de-datum-producten uit de supermarkt. Het zou nog veel meer kunnen zijn als we keukenafval van huishoudens niet zouden composteren, maar zouden inzamelen en opwerken tot veilig veevoer (‘swill’). Tijd om de schillenboer opnieuw uit te vinden?

Een ander aspect dat in de areaalvergelijking vergeten wordt, is dat herkauwers vooral voer vreten dat mensen niet kunnen verteren. Vers gras, snijmaïs en kuilvoer (bij elkaar ruwvoer) maken driekwart uit van het menu van de Nederlandse melkkoe. Volgens Jan Dijkstra, voedingsexpert herkauwers van Wageningen UR gebruikt de koe voor elke kilo aan melkeiwit 0,3 kilo aan planteneiwitten die in principe ook voor mensen verteerbaar zijn.

 

Als de hele wereldbevolking zou besluiten om voortaan als vegetariër door het leven te gaan, dan zou het areaal aan bouwland moeten verdubbelen van de huidige anderhalf naar drie miljard hectare. Omdat de wereld dan de 3,5 miljard hectare aan graasland niet meer nodig heeft, zou dat oppervlakkig gezien geen probleem hoeven zijn. Het probleem is alleen dat het overgrote deel van die graaslanden – inclusief de keurig aangeharkte veenweidegebieden in Holland en Friesland – zich niet leent voor de teelt van granen, aardappelen en bieten.

 

Regenval

Toch is niet het aantal hectares de beperkende factor, schrijft Prem Bindraban in een van de ‘Essays voor een Zorgvuldige Veehouderij’, die de gelijknamige Taskforce van Wageningen UR in 2010 uitbracht. Met beter zaaizaad, beter management en minder verliezen zou je de opbrengst op het huidige areaal kunnen verdubbelen, zodat voor iedereen genoeg graanequivalenten beschikbaar zijn.

De beperkende factor is water. Om de ruim 98 procent zonne-energie af te voeren die de plant niet omzet in biomassa is veel water nodig. Per kilo graanequivalent is dat al gauw 1200 liter. Als we allemaal vegetariër worden vergt dat een additionele hoeveelheid water ter grootte van 5000 kubieke kilometer, ongeveer een tiende van de inhoud van de Noordzee. Het benutten van die 5000 kubieke kilometer zou moeten plaatsvinden op een additioneel akkerbouw areaal van ruim een miljard hectare.

De enorme plas moet soms over vele tientallen kilometers naar de akkerbouwgebieden van de wereld worden getransporteerd. Met voetpompjes gaat dat niet lukken, dus dat zal een behoorlijke hoeveelheid (fossiele) energie vragen. Volgens Bindraban is het daarom een stuk efficiënter om het regenwater dat op graaslanden valt te benutten voor de productie van dierlijk eiwit.

 

Medium raw

Overigens kan dat wel een stuk effectiever. Door overbegrazing is er sprake van ernstige degradatie van graaslanden; de bodemvruchtbaarheid en de vegetatie gaan achteruit met als uiteindelijk resultaat erosie en nog minder opbrengst. Met voldoende bemesting kan — bij gelijkblijvende regenval — de productie met een factor 3 tot 4 omhoog. Dat komt goed uit, want de meerderheid van de wereldbevolking wil helemaal niet vegetarisch worden; die wil gewoon vlees, eieren en melk, omdat het lekker is en gezond. Juist bij mensen die het moeten doen met een karig dieet kan een stukje vlees wonderen doen bijvoorbeeld om het tekort aan ijzer bij vrouwen en kinderen tegen te gaan.

 

Kortom, rood vlees blijkt niet alleen gezond, maar nog duurzaam ook. Doe mij nog maar een biefstukje. Medium-raw alsjeblieft.

 

 

 

Gepubliceerd in Spil 277-278 september 2012

By |2012-09-30T17:16:40+00:00september 30, 2012|