‘In de toekomst zie ik mens en technologie steeds meer versmelten’, zegt Jan Mengelers, voorzitter van de Raad van Bestuur van TNO. ‘Menselijke functies, zoals ons geheugen, maar ook ons bewegingsapparaat, zullen worden ondersteund en versterkt door technische apparaten, aangestuurd door hersengolven.’ Bas Haring, filosoof en hoogleraar publiek begrip van wetenschap aan de Universiteit Leiden, ziet het zo’n vaart niet lopen. ‘Vergeet niet dat er ook heel wat aversie is tegen technologie. Sommige vernieuwingen, zoals de mobiele telefoon, worden wel geadopteerd, omarmd zelfs, maar anderen, zoals genetische modificatie, helemaal niet. Met technologie is het toch vaak een verhaal van afstoten en aantrekken’

 

Robocop

Mengelers begint het gesprek met een voorspelling: ‘De mens als denkend wezen zal in de komende vijftig jaar steeds meer gaan lijken op de Man van Zes Miljoen, of voor de wat jongeren onder ons, Robocop. De technologie zal zich meer en meer gaan richten op verbetering van de mens. Over vijftig jaar besturen we een krachtig exoskelet met hersengolven en is ons geheugen uitgebreid met de rekenkracht en het geheugen dat nu in onze computers zit. Allerlei lichamelijke en mentale beperkingen zullen dankzij technologie zijn opgeheven. Letterlijk het versmelten van mens en technologie.’

Haring gelooft er niets van. ‘Waarom zou je de rekenkracht en het geheugen van je mobieltje in je hoofd of elders in je lichaam willen hebben. Het kan toch ook gewoon in je binnenzak, net als nu. Dan kun je ook ieder jaar weer een nieuwe kopen. Als een hert dat jaarlijks zijn gewei ververst om Harry Mulisch te parafraseren. Verder vraag ik me af of mensen wel zo enthousiast zijn om hun beperkingen te compenseren met technische snufjes. Onlangs heb ik een filmpje gezien van Softenon-kinderen, die geen armen en/of benen hebben of alleen maar korte stompjes. Die bleken liever over de grond te rollen om zich te verplaatsen dan dat ze zich een paar kunstbenen laten aanmeten.’

 

Niet zwart/wit

Tegelijkertijd zijn er ook mensen die kunstmatige ledematen en andere vormen van ‘human enhancement’ wel gebruiken, stelt Mengelers. Als voorbeeld noemt hij atleten als de Zuid-Afrikaan Pistorius die dankzij zijn kunstbenen vrijwel even hard loopt als iemand zonder beperkingen. Ook soldaten met zware bepakking in lastig terrein hebben baat bij een stevig ‘exoskelet’, waarmee ze hun actieradius flink kunnen verhogen.

Haring: ‘Het is ook niet zo zwart-wit. Aan de ene kant heb je te maken met een aversie tegen technologie bijvoorbeeld tegen genetisch gemodificeerde gewassen. Aan de andere kant adopteren we bepaalde technieken, zoals de smart phone, razendsnel.’

Mengelers: ‘Het is ook vaak een kwestie van gewenning. Mensen zijn bang voor techniek die ze niet kunnen bevatten. Aan het eind van de negentiende eeuw hingen er in hotels bordjes bij de schakelaars voor het, toen nieuwe, elektrisch licht, dat de lamp geen bedreiging voor de gezondheid was.’

 

Techno-optimisme

Met zijn nuancering wil Haring eigenlijk waarschuwen tegen het ongebreidelde techno-optimisme, dat vaak de kop opsteekt als het om de toekomst gaat. Technologie als heilbrenger, zoals in de jaren vijftig en zestig van de vorige eeuw. Hij verwijst naar het boek ‘The life and times of Thunderbolt Kid’ van Bill Bryson, waarin verhaald wordt van een Amerikaanse restaurant dat reclame maakt met de schoonste toiletten van de wereld, die zijn schoongemaakt met radio-activiteit. ‘Het techno-optimisme van die tijd kunnen we ons nu nauwelijks meer voorstellen.’

 

Volgens Mengelers kwam de omslag – van optimisme naar doemdenken – in de tweede helft van de jaren zestig. ‘Door de atoombom realiseerden mensen zich dat de technologie zich zover had ontwikkeld dat de mensheid in zijn totaliteit uitgeroeid kon worden. Tegelijkertijd lieten opnamen vanuit de ruimte zien hoe kwetsbaar die blauwe planeet eigenlijk was.’

 

Haring: ‘De vraag die we de komende tijd moeten beantwoorden, is hoe zo’n ongebreideld techno-optimisme kan ontstaan en hoe het in een kort tijdsbestek in zijn tegendeel kan verkeren. Volgens mij heeft het veel te maken met de rol van techneuten. Een beetje een aparte club mensen, die aan de zijlijn oplossingen bedenken voor de problemen die ze zien. Sommige technieken worden omarmd, omdat ze inderdaad een antwoord zijn op een probleem. Andere oplossingen worden verguisd omdat ze niet ervaren worden als oplossing, maar als vergroting van het probleem. Ik vind dat ingenieurs veel nadrukkelijker moeten wijzen op het belang van technologie, van de technologische cultuur als voorwaarde om te overleven.’

 

Bemoeien

Mengelers is het met Haring eens dat de wisselwerking tussen technologen en samenleving nog beter kan, maar hij ziet al wel een beweging in de goede richting. ‘Als je onderzoekers van TNO

vraagt waarom ze hier werken en niet ergens anders, dan noemen ze heel vaak toch de maatschappelijke betrokkenheid; het idee dat je een bijdrage levert aan het oplossen van maatschappelijke problemen. Het is een ouderwets woord, maar ik gebruik het toch: zingeving, daar gaat het om.’

Voor Haring is dat niet genoeg. ‘Het gaat er niet alleen om wat TNO-onderzoekers ervaren als zinvol, het is belangrijk dat ingenieurs en bèta-wetenschappers zich veel actiever gaan bemoeien met de samenleving, hoe die is ingericht en waar die naartoe gaat. Ze moeten zorgen voor een cultuur waarin technologie sneller en makkelijker wordt geaccepteerd door actief deel te nemen aan het maatschappelijke debat. Want nogmaals: technologie moet ons redden.’

Mengelers: ‘Het begin is er. Samen met HCSS, het Haagse Centrum voor Strategische Studies  entameren we toekomstverkenningen en proberen we het maatschappelijk debat aan te jagen op de terreinen waarop we actief zijn. Tot nu toe speelt zich dat vooral af in de coulissen. We zouden meer naar buiten kunnen en moeten treden. Dat past ons ook, want indertijd is TNO opgericht als onafhankelijke organisatie om toegepast wetenschappelijk onderzoek inzetten voor het algemeen belang. Dat betekent dat we mee moeten praten over wat het algemeen belang is.’

 

Science fair

Volgens beide, Mengelers en Haring is er een belangrijke rol weggelegd voor het onderwijs als het gaat om hoe mensen tegen technologie aan kijken. ‘Daar is nog een wereld te winnen’, stelt Haring. ‘In de Verenigde Staten bijvoorbeeld, maar ook elders, worden ‘science fairs’ georganiseerd, waarbij kinderen van een jaar of tien een poster en proefopzet presenteren van een experiment dat ze zelf hebben uitgevoerd. Deelnemen aan zo’n science fair is van hetzelfde gewicht als bij ons de CITO-toets. Het bepaalt in hoge mate hoe mensen later tegen technologie aan kijken.’

Dat geldt sowieso voor dingen zelf doen, denkt Mengelers. ‘Dankzij Internet kunnen mensen overal informatie vandaan halen over de meest uiteenlopende onderwerpen. Dat haalt een stuk van de magie van de ivoren toren weg en brengt wetenschap en technologie dichterbij. Tegelijkertijd roept dat natuurlijk de vraag op hoe betrouwbaar die informatie is, ook de informatie van wetenschappers. Eigenlijk zouden we in onze rapporten de foutenmarge moeten aangeven van onze uitspraken, maar dan loop je weer tegen het probleem aan dat noch het publiek, noch de politiek daarmee om kunnen gaan, zonder dat allerlei emoties een rol gaan spelen.’

Volgens Haring is dat onvermijdelijk, omdat mensen niet kunnen omgaan met kansen en onzekerheden. ‘Daar is ons brein niet op ingericht’, zegt hij. ‘Aan de andere kant is er ook sprake van gewenning. Als we over een brug rijden of in een vliegtuig stappen denken we ook niet meer na over die instort respectievelijk neerstort. Als technologie werkt, dan wordt die uiteindelijk geaccepteerd.’

 

Gepubliceerd in TNOTIME Tachtig jaar impact, winter 2012