TOPSECTOREN KANNIBALISEREN WETENSCHAP

//TOPSECTOREN KANNIBALISEREN WETENSCHAP

‘Innovatiebeleid is heel belangrijk, maar als je er geen geld voor uittrekt gaat het ten koste van het wetenschappelijk onderzoek. Het innovatiebeleid kannibaliseert het wetenschapsbeleid en daar is geen van beide bij gebaat.’
Robbert Dijkgraaf, een maand geleden afgetreden als president van de KNAW om per 1 juli directeur te worden van het Institute for Advanced Study in Princeton, is ongewoon scherp als hij zijn bezwaren tegen het beleid van deze regering uiteenzet. ‘We hebben een prachtige, goed onderhouden auto, waar de rest van de wereld jaloers op is – de Nederlandse wetenschap. Hij heeft alleen wat weinig benzine. Daarnaast staat een krakkemikkig, slecht onderhouden auto, die met duct tape bij elkaar wordt gehouden. Je zou wel gek zijn om de krakkemikkige auto te repareren door goede onderdelen uit de mooie auto te slopen, maar dat is precies wat er nu gebeurt met het topsectorenbeleid: het wetenschapsbeleid wordt opgeofferd aan het innovatiebeleid.’

 

Volgens Dijkgraaf spreekt de regering met twee tongen. ‘Aan de ene kant zeggen ze dat  innovatie heel belangrijk is voor de concurrentiekracht van de Nederlandse economie. Maar tegelijkertijd zeggen ze eigenlijk dat het niet belangrijk is, want er zijn geen middelen voor. Sterker nog, de middelen die er waren, de aardgasbaten worden stopgezet. In plaats daarvan neemt de minister zijn toevlucht tot magisch denken, waarbij dezelfde euro voor onderzoek twee keer wordt uitgegeven, een keer voor wetenschappelijk onderzoek en een keer voor innovatie.’

 

Dijkgraaf ontkent niet dat er voorbeelden zijn waarbij fundamenteel onderzoek gekoppeld is aan directe toepassingen. ‘Fantastisch’, zegt hij. ‘Ik noem dat onderzoek met dubbele letterwaarde. Dat zou je ook gewoon dubbel moeten financieren; zowel uit het wetenschapsbudget als uit het innovatiebudget. Maar het zijn uitzonderingen. Veel fundamenteel onderzoek past niet in de topsectoren en veel innovatiegericht onderzoek heeft geen raakvlak met het huidige fundamentele onderzoek, hooguit met fundamenteel onderzoek in het verleden.’

 

De denkfout is volgens Dijkgraaf dat er geen onderscheid wordt gemaakt tussen wetenschaps- en innovatiebeleid, terwijl dat toch twee heel verschillende werelden zijn. ‘Het is goed dat er nu wordt ingezet op een innovatiebeleid gericht op sterke, kennisintensieve sectoren. Maar wat goed is voor het innovatiebeleid geldt niet vanzelfsprekend voor het wetenschapsbeleid. In de wetenschap moet je breed zaaien; mensen de ruimte geven om nieuwe, moeilijke paden op te gaan. Het topsectorenbeleid is het koppelstuk tussen wetenschap en bedrijfsleven, maar is geen substituut voor het wetenschapsbeleid.’

 

Wat er nu dreigt te gebeuren is volgens Dijkgraaf dramatisch. ‘De voeding van het fundamenteel onderzoek wordt gebruikt om het gat van de weggevallen aardgasbaten te vullen. NWO waarschuwt terecht voor onherroepelijke schade aan het wetenschapssysteem. De term  onherroepelijk is belangrijk. Als talent uit Nederland vertrekt en onderzoekslijnen worden afgebroken, dan lukt het ons niet om over een tijdje de draad weer op te pakken. We kunnen geen topgroepen kopen, in Nederland moet het onderzoek organisch groeien. We moeten het, net als in het voetbal, hebben van onze jeugdopleiding.’

 

Ondanks het feit dat de glimmende auto weinig benzine heeft – het wetenschapsbudget groeide  met nul procent en gaat zelfs afnemen – doen Nederlandse wetenschappers het uitstekend, vindt Dijkgraaf. Hij maakt zich echter grote zorgen over de nieuwe generatie. ‘Door het wegvallen van de aardgasbaten gaan er duizenden plaatsen verloren voor promovendi en postdocs. In andere landen wordt dat talent met open armen ontvangen, want de hele wereld is in de race. Duitsland bijvoorbeeld is sterk in opkomst en daar wil men graag Nederlanders hebben. Er zijn tien Nederlandse directeuren van Max Planck instituten en de president wil er nog wel meer, vertelde hij me onlangs.’

 

Als het beleid zo funest is voor het fundamenteel onderzoek, had de president van de KNAW dan niet wat harder met zijn vuist op tafel moeten slaan? Dijkgraaf: ‘In alle gesprekken met de  minister, de staatssecretaris en het bedrijfsleven heb ik er in zeer scherpe bewoordingen op gehamerd dat magisch denken ons niet helpt. Tegelijkertijd vond ik wel dat ik moest uitstralen dat wetenschaps- en innovatiebeleid beide belangrijk zijn. Weliswaar stond ik als president van de KNAW voor de bredere missie van de wetenschap, maar dat mocht niet ten koste gaan van het innovatiebeleid. Ik denk niet dat ik het scherper had kunnen formuleren, maar op een gegeven moment moet je concluderen dat je het niet met elkaar eens bent. En omdat het primaat ligt bij de politiek kan de bewindspersoon dan zeggen, ik heb toch een meerderheid van het parlement achter me. Overigens was Verhagen er de laatste keer dat ik hem sprak ook buitengewoon helder over dat er meer middelen nodig zijn. Het kwartje is blijkbaar gevallen.’

 

Niet bij iedereen blijkbaar, want van de kant van de werkgevers wordt gepleit voor meer vraagsturing bij de financiering van fundamenteel onderzoek. Dijkgraaf: ‘Soms verbaas ik me over het gemak waarmee werkgevers oordelen over het wetenschapsbeleid. Volgens mij functioneert het heel behoorlijk. De kwaliteit is hoog, zoals ik al eerder zei, en het ontbreekt niet aan maatschappelijke relevantie. Veel landen zouden maar wat graag het Nederlandse wetenschapssysteem willen overnemen. Het enige waar het aan ontbreekt is voldoende middelen. De grote bedrijven, zoals Unilever, DSM en ASML realiseren zich heel wel dat het innovatiebeleid niet ten koste mag gaan van het wetenschapsbeleid. Het zou goed zijn als dat geluid gebundeld zou worden en dat ook VNO-NCW zou laten merken dat ze trots zijn op de Nederlandse wetenschap.’

 

Gepubliceerd in Onderzoek Nederland 6 juli 2012

By |2013-02-13T17:28:55+00:00juli 6, 2012|