Landbouweconoom Joachim von Braun maakt zich ernstig zorgen over de voortdurende stijging van de voedselprijzen. De wereld is terug in de 19e eeuw, toen de prijzen ook grote schommelingen vertoonden. Vooral de allerarmsten zijn daarvan de dupe. “Zij geven zestig procent van hun inkomen uit aan graan.” De internationale gemeenschap moet ingrijpen, vindt Von Braun.

 

Von Braun was jarenlang directeur van het International Food Policy Research Institute in Washington. Inmiddels is hij directeur van het Zentrum fur Entwicklungsforschung (ZEF) in Bonn,  maar hij heeft nog steeds het oor van de ‘machtigen der aarde’ als het gaat om landbouw, voedselvoorziening en de ‘biobased’ economie. Als econoom is schaarste een van zijn stokpaardjes.

‘We zullen moeten accepteren dat de overvloed voorbij is en dat we toegroeien naar een tijdperk van schaarste’, opent hij het gesprek. ‘De wereldbevolking stijgt van nu zeven naar straks negen miljard mensen, maar dat na 2040 stopt die groei waarschijnlijk. Een veel belangrijker drijfveer van schaarste is de groei van de economie en dan vooral de welvaartsgroei in de opkomende landen. Niet alleen leidt dat tot veranderingen in de verdeling van de vraag naar grondstoffen, maar die vraag stijgt ook. Daardoor ontstaat schaarste aan fossiele grondstoffen, zoals fosfaat en olie. Maar ook aan hernieuwbare grondstoffen en de productiefactoren die daarvoor nodig zijn zoals water en vruchtbare grond.’

Schaarste aan hulpbronnen wordt bijgevolg steeds meer een beperkende factor voor economische groei. Dat heeft, aldus Von Braun, niet alleen zijn weerslag op de groei van het binnenlands product, maar ook op andere zaken zoals welzijn en duurzame ontwikkeling. Vooral voor de rijke Westerse landen. Van Braun: ‘De opkomende economieën met groeipercentages van 4, 5, 6 procent kunnen beter omgaan met schaarste en stijgende grondstofprijzen dan de economieën van de Verenigde Staten, Europa en Japan. Daar moeten we overigens niet al te panisch over doen, want tegelijkertijd zijn de mogelijkheden van wetenschap en techniek nog nooit zo groot geweest als nu.’

Prijspieken

Wat Von Braun meer zorgen baart zijn de weerkerende prijspieken voor voedsel, zoals in 2008 en 2010. ‘Op dit moment zijn we getuige van een historische verandering in de prijsontwikkeling van voedsel’, zegt hij. ‘De afgelopen eeuw zijn de prijzen van voedsel voortdurend gedaald. De afgelopen tien jaar is die trend omgekeerd en zien we een stijging. Geen geleidelijke stijging, maar een stijging die gepaard gaat met grote pieken en dalen. In dat opzicht zijn we weer terug in de 19e eeuw toen de prijzen van landbouwproducten ook grote schommelingen vertoonden.’

De oorzaken van die trendbreuk zijn tweeërlei. Von Braun: ‘Tot voor kort werden agrarische producten in beperkte kring verhandeld. Je had aanbieders en je had de commerciële gebruikers, zoals Unilever, Nestle en andere verwerkende bedrijven. Via termijnmarkten probeerden de laatstgenoemden voldoende aanvoer tegen een redelijke prijs te garanderen. De afgelopen jaren is daar een partij bij gekomen, de niet-commerciële gebruikers, zijnde financiële instellingen zoals index- en hedge fondsen. Veel indexen hebben tegenwoordig ook agrarische grondstoffen in hun mandje. Die fondsen pakken de kansen om geld te verdienen aan schaarste en stijgende prijzen. Daar hebben niet alleen de armen in de wereld last van, maar ook de verwerkende bedrijven.’

De tweede oorzaak van de prijsschommelingen (Van Braun heeft het liever over ‘price spikes’, waarbij de prijzen van graan of soja met honderd en meer procent stijgen) zijn de biobrandstoffen en dan vooral de stimulansen van de overheid in de vorm van subsidies en/of de verplichting tot bijmengen bij benzine en diesel. ‘De gesubsidieerde vraag naar biobrandstoffen draagt daarmee rechtstreeks bij aan schaarste en de bijbehorende prijsschommelingen.’

Dat neemt echter niet weg dat biomassa de komende decennia steeds belangrijker zal worden als grondstof voor de biobased economie. Von Braun is ook vicepresident is van de Bio-Economy Council van de Deutsche Akademie der Technikwissenschaften. ‘Alleen moet we er dan wel op een efficiëntere manier mee omgaan en planten optimaal tot waarde te brengen via bioraffinage. Daar ligt een enorme uitdaging voor ingenieurs uit allerlei disciplines.’

Voor het zover is, moet de productie van biobrandstoffen ondergeschikt zijn aan die van voedsel, meent Von Braun. ‘Bij dreigende prijsstijgingen die de voedselvoorziening in gevaar brengen moeten de voorraden maïs en tarwe, die oorspronkelijk bestemd waren voor brandstof, gebruikt worden voor voedsel. Alleen al het bestaan van zo’n reservevoorraad zal van invloed zijn op de prijs van granen.’

Reservevoorraden

De aanleg van reservevoorraden is een van de mogelijkheden die Von Braun ziet als middel om sterk stijgende voedselprijzen te voorkomen. Zulke voorraden hebben niet alleen een dempende invloed op de prijs, je kunt ze ook gebruiken voor directe voedselhulp in noodsituaties. ‘Op dit moment moet het World Food Program (de VN-organisatie die zich bezighoudt met voedselhulp) vaak extra voedsel inkopen tegen de dan geldende marktprijs in de regio. Omdat er een voedselcrisis aan de gang is, is die prijs meestal hoog. Door het aanhouden van een reservevoorraad kan de organisatie voedsel inkopen als de prijs laag is.’

Naast een fysieke reserve zou er, aldus Von Braun, ook een virtuele reserve aangelegd moeten worden. ‘Een fonds dat ingrijpt op de termijnmarkten voor granen en zo de prijs van de ‘futures’ beïnvloedt. Het geld hoeft niet daadwerkelijk ergens op ene rekening te staan; de toezegging van een aantal landen dat ze – indien nodig – gecoördineerd zullen interveniëren op de termijnmarkt is waarschijnlijk al voldoende.’

Wat omvang betreft, denkt hij aan een fonds van circa 20 miljard dollar. Dat komt overeen met ongeveer de helft van de hoeveelheid graan die op de wereldmarkt wordt verhandeld. Von Braun: ‘Op zich is dat maar een fractie van de totale handel in granen, maar de wereldhandel bepaalt wel in hoge mate de prijs van graan.’

Von Braun lanceerde zijn ideeën voor een fysieke en virtuele graanreserve in februari 2009 in de nasleep van de voedselcrisis van 2008. ‘Verschillende partijen hebben het opgepakt’, vertelt hij. ‘Zo heeft de ASEAN, een samenwerkingsverband van tien Aziatische landen, het initiatief genomen om een reservevoorraad rijst aan te leggen. Op zich een lovenswaardig initiatief, maar er is meer nodig. Wil je echt wat aan die heftige prijsschommelingen doen, dan moeten er op wereldschaal initiatieven worden genomen.’

Inmiddels heeft de G20 eind vorig jaar vastgesteld dat prijsschommelingen van agrarische grondstoffen en voedsel een belangrijk humaan, politiek en economisch probleem zijn. Von Braun: ‘Met name Frankrijk, de huidige voorzitter van de G20, heeft de voedselcrisis op de agenda gezet en zoekt nu – samen met andere landen en instellingen – naar oplossingen. Daarbij richt men zich tot op heden vooral op een betere coördinatie tussen internationale organisaties, maar dat is niet voldoende.’

Blokkeren

Von Braun pleit voor een meer omvattende aanpak. ‘Als je het werk van internationale organisaties als FAO, UNCTAD, Wereldbank etcetera beter op elkaar wil afstemmen, leidt dat vooral tot meer vergaderingen. Ze denken allemaal dat zij de sleutel tot de oplossing in handen hebben, maar daarmee blokkeren ze een echte oplossing. Dat is het oprichten van een nieuwe internationale organisatie met vergaande bevoegdheden om in te grijpen in de prijsvorming van voedsel.’

Recent heeft Von Braun daarom het idee gelanceerd van een centrale reservebank voor graan, de International Grain Reserve Bank. Analoog aan de centrale banken van bijvoorbeeld de Europese Unie en de Verenigde Staten houdt deze bank de prijsschommelingen van graan in de gaten en grijpt in wanneer zij dat nodig vindt.

Von Braun: ‘Voor de twee miljard armen mensen in de wereld is niet de euro- of de dollarkoers belangrijk, maar de prijs van graan. Graan is hun valuta; daar geven ze zestig procent en meer van hun inkomen aan uit. Stijgt de prijs van graan, dan worden tientallen miljoenen mensen meer veroordeeld tot armoede en ondervoeding. Vooral dat laatste is funest. Een langere periode van te weinig of eenzijdige voeding leidt vooral bij kinderen tot permanente schade. Daar hebben ze niet alleen zelf last van; ook voor de economie is het een enorme schadepost als mensen door chronische ziekte hun potentieel niet kunnen vervullen.’

Volgens Von Braun is het niet de bedoeling dat alle prijsschommelingen worden gedempt door ingrepen van de Graan Reserve Bank. ‘De vrije markt moet blijven functioneren. Sterker nog, de bank speelt daar een belangrijke rol in, omdat alleen al haar aanwezigheid landen er van kan weerhouden om exportbeperkingen in te voeren, zoals Rusland en Thailand indertijd deden. Waar het om gaat is het voorkomen van prijsschommelingen met dodelijke gevolgen. Hoe groot die zijn? Dat moeten we ook aan de bank overlaten. De ervaring met centrale banken laat zien, dat ze het meest effectief zijn als ze de markt in onzekerheid laten over hun ingrepen.’

Vrijhandel

Juist omdat hij vrijhandel zo belangrijk vindt, voelt Von Braun er ook niets voor om het idee van de internationale reservebank voor graan uit te breiden tot andere schaarse grondstoffen, zoals de zeldzame aardmetalen. ‘Daarmee zouden we weer terug gaan naar de tijd van de internationale grondstofovereenkomsten, zoals die voor tin. Die zijn niet voor niets verdwenen. Op deze manier ingrijpen in markten zou contraproductief zijn. Juist de schaarste aan zeldzame aardmetalen en andere grondstoffen – waarbij je je kunt afvragen in hoeverre ze echt schaars zijn of schaars uit strategische overwegingen – is een enorme stimulans voor innovatie. Door het reguleren van de internationale markten frustreer je dat; je zet als het ware een belasting op technische vernieuwing. Het verschil met voedsel is, dat tekorten aan zeldzame aardmetalen niet echt dodelijk zijn; hooguit moet je wat langer doen met je IPad.’

Zelfs voor een grondstof als fosfaat, essentieel voor de productie van voedsel en biomassa, zegt  Von Braun desgevraagd geen uitzondering te willen maken. ‘Fosfaat is inderdaad essentieel’ zegt hij. ‘Zeker in het licht van de opkomende bio-based economie zal de behoefte alleen maar toenemen. Als we aannemen dat de huidige voorraden voldoende zijn voor de komende honderd jaar dan hebben we nog ruim de tijd om te zoeken naar wegen om de behoefte aan fosfaat te verkleinen – bijvoorbeeld door de opname van fosfaat door planten te verbeteren. En om fosfaat te recyclen. Nederland heeft momenteel een enorm fosfaatoverschot. Op het terugwinnen daarvan kun je heel wat inventiviteit loslaten. Er is, kortom, een hoop werk aan de winkel voor ingenieurs.

 

Verschenen in De Ingenieur van 16 september 2011