“Om profijt te hebben van beter, maar ook duurder zaaizaad, moet je kleine boeren ook leren om hun teeltmethoden te verbeteren. Anders oogst je alleen maar teleurstelling.” Aldus Simon Groot, oprichter van EastWestSeed, die eind vorig jaar als eerste Nederlander de prestigieuze World Food Prize kreeg, omdat hij miljoenen kleine boeren een beter economisch perspectief heeft geboden door de kleinschalige teelt van groenten te verbeteren in meer dan 60 landen. Daarmee gaf hij honderden miljoenen consumenten betere toegang tot een gezonder dieet met voedzame groenten.
Betekent het toekennen van de prijs ook een erkenning van het belang van groententeelt?
“Ja, ik denk het wel, ik hoop het in ieder geval. Groenten zijn lang een ondergeschoven kind geweest in de ontwikkelingssamenwerking. Terwijl groenten een belangrijke bron van inkomsten zijn voor kleine boeren en boerinnen en een grote bijdrage kunnen leveren aan de volksgezondheid, ligt de nadruk nog steeds op de grote gewassen. Zoals rijst, tarwe, maïs en soja. Wij werken intensief samen met het World Vegetable Center om de groententeelt in Afrika te bevorderen. De directeur-generaal is een Nederlander – Marco Wopereis. Weet je wat nou zo raar is? Dat Nederland het World Vegetable Center volledig negeert. Moet je voorstellen, het meest vooraanstaande tuinbouwland in de wereld laat het World Vegetable Center links liggen. De reden is dat het hoofdkantoor in Taiwan is gevestigd en het ministerie van Buitenlandse Zaken China niet tegen de haren in wil strijken. Dat vind ik een onterechte afweging.”
U bent bijna veertig jaar geleden in de tropische groenten gestapt. Hoe kwam dat?
“De directe aanleiding was dat het familiebedrijf waar ik werkte, de zaadfirma Sluis en Groot in Enkhuizen, werd overgenomen door het Zwitserse Sandoz (tegenwoordig het Chinese Syngenta). Bij Sluis en Groot was ik marketing manager voor bloemenzaden. Na de overname door Sandoz heb ik me van het bedrijf af gewend om iets te gaan doen wat ik al langer in mijn hoofd had. Jaren eerder was ik in Indonesië en zag daar boeren die ‘Roem van Enkhuizen’ teelden, een witte kool. In Nederland deed de kool het prima, maar daar – onder tropische omstandigheden, stond de kool er maar flets bij. Toen dacht ik, waarom ontwikkelen we geen hybride variëteiten, die wel zijn aangepast aan tropische omstandigheden?”
De eerste jaren waren een worsteling, las ik. Zaten de boeren op de Filipijnen niet op uw verbeterde variëteiten te wachten?
“Dat kun je wel zeggen, ja. We begonnen met een hybride variëteit van bittermeloen (sopropo of bittergourd), die resistent was tegen valse meeldauw, de ‘Jade Star’. Op ons proefveld haalden we hoge opbrengsten, maar desondanks bleek het zaad lastig te verkopen. De boeren zagen op tegen de extra investeringen die ze moesten doen, niet alleen in het zaaizaad in plaats van zelf gewonnen zaad, maar ook in kunstmest. Zoals gezegd was het zaad niet goedkoop, een paar cent per stuk, maar als je zo’n vrucht opensnijdt heb je veel zaden. Voor niks!”
“Wat uiteindelijk de doorslag gaf waren de afnemers. De paar boeren die met succes de hybride variëteit hadden geteeld, haalden niet alleen een twee keer zo hoge opbrengst, maar kregen bovendien een meerprijs, omdat ze een uniforme kwaliteit konden leveren. Daar wilde de handel wel extra voor betalen. Die meerprijs heeft ook andere boeren over de streep getrokken en uiteindelijk kochten ze bijna allemaal ons zaaizaad.”
Het voordeel van hybriden is dat de kruisling een hogere opbrengst levert door heterosis (zie kader). Is dat jullie verdienmodel, dat boeren niet zelf het zaad kunnen overhouden, maar ieder jaar terug moeten komen?
“Nee, zo zou ik dat niet willen zeggen. Natuurlijk verdienen we aan de verkoop van hybride zaaizaad. Na de bittermeloen zijn we verder gegaan met waterspinazie (kangkong), aubergines, tomaten en komkommers, maar we leveren ook zaad voor kousenband bijvoorbeeld. Daar kun je geen hybride van maken en daarom beginnen andere veredelaars er niet aan. Zij redeneren dat je dan voor niks zit te veredelen, omdat iemand anders dan met je zaden aan de haal gaat. De ervaring leert echter dat als je een paar jaar achter elkaar overgehouden zaad gebruikt, de opbrengsten achteruit lopen. Na een paar jaar komen ze toch weer bij je terug om nieuw zaad te kopen, het zijn onze driejaarsklanten. Tja, als ze daarvoor kiezen…”
Octrooieren van uitgangsmateriaal hoeft voor u dus niet zo.
“Ik ben erg gehecht aan het kwekersrecht, daar kunnen we prima mee uit de voeten. De exclusiviteit van een octrooi maakt het misschien wel aantrekkelijker om een gewas als kousenband te gaan veredelen, maar daarmee heeft het nog niet onze voorkeur. We hebben wel last van octrooien van anderen, vooral van octrooien die de houder ervan het exclusieve recht geeft op bepaalde eigenschappen van planten. Die zijn er doorgedrukt door de Verenigde Staten om grote bedrijven als Monsanto (nu Bayer) te beschermen, maar ze blokkeren wel de ontwikkeling van nieuwe, verbeterde variëteiten. Plantum, de branchevereniging voor de sector zaden en jonge planten, verzet zich terecht tegen dit soort octrooien. Met succes, getuige het feit dat er in Europa geen octrooi meer mag worden verleend op plantproducten.”
Na de Filipijnen bent ook in andere landen in Azië actief geworden en een paar jaar geleden heeft u de sprong gewaagd naar Afrika en Midden-Amerika. Zijn die verschillen tussen die regio’s niet heel erg groot?
Ja en nee. Je moet natuurlijk heel goed kijken wat de boeren telen en wat voor variëteiten ze tot hun beschikking hebben. Dat verschilt nogal. Aan de andere kant zijn er ook overeenkomsten waar je gebruik van kunt maken. In 1984 bijvoorbeeld hebben we de stap naar Thailand gemaakt. Door een Thaise bittermeloen te kruisen met de lijnen die we op de Filipijnen hadden gemaakt, kregen we hybriden die het prima deden in Thailand. Toen we in 1990 de stap waagden naar Indonesië, zijn we op drie plekken begonnen, het laagland, het hoogland en een tussengebied. Van daaruit hebben we, mag ik wel zeggen, de tuinbouw in heel Indonesië gemoderniseerd. Tomaten bijvoorbeeld werden voorheen alleen in het hoogland geteeld, boven de duizend meter, omdat ze niet bestand waren tegen de hitte en de vochtigheid van het laagland. Door selecteren en combineren is het ons gelukt om variëteiten te ontwikkelen die het wel goed doen in het laagland. Inmiddels worden er op tienduizenden hectare in het laagland tomaten geteeld.
En dan nu Afrika?
“Een jaar of tien geleden hebben we de overstap gemaakt naar Tanzania, Oost-Afrika, maar inmiddels ligt het zwaartepunt van onze activiteiten in West-Afrika. Daar werken we aan tomaten, pompoenen, uien en andere groenten die daar veel gegeten worden. Niet veel mensen weten dat tomaten een belangrijk voedselgewas zijn in Afrika. Alleen al in Nigeria heb je het over een paar miljoen hectare. Mensen eten ze gekookt in een prutje met bonen in combinatie met calorierijke producten zoals cassave en maispap.”
“In Afrika moet nog heel veel gebeuren om de tuinbouw goed van de grond te krijgen. Het probleem is – ik zeg het maar even ronduit – dat ze niet goed boeren daar. Er is een enorme behoefte aan kennis om de tuinbouw op een hoger plan te brengen. In Azië hebben we daar veel ervaring mee opgedaan en die ervaring zetten we nu in Afrika in. Door training en voorlichting helpen we de boeren om het potentieel van de verbeterde variëteiten te ontsluiten en de voordelen ervan maximaal te benutten.
Een beetje zoals vroeger bij ons de Landbouwvoorlichtingsdienst.
Precies. Als je kijkt naar de ontwikkeling van de tuinbouw in Azië – en nu ook in Afrika – dan realiseer je je pas goed hoe belangrijk de landbouwvoorlichting in Nederland is geweest. Op de Filipijnen zijn we indertijd begonnen met het trainen van kleine boeren en met demonstratiebedrijven, waar boeren van hun collega’s konden leren hoe ze hun teeltmethoden konden verbeteren. Dat is uitgegroeid tot ons Knowledge Transfer programma, waarmee we inmiddels miljoenen kleine boeren hebben bereikt.”
“Lange tijd waren we de enige leverancier van uitgangsmaterialen die dat deed. Meestal samen met lokale organisaties en internationale partners. In de meeste landen waren wel voorlichtingsdiensten, maar daar had je meestal weinig aan. De mensen die daar werkten kwamen hun kantoor niet uit, terwijl wij iedere paar weken langs gingen bij onze boeren. Als de lokale overheid het niet doet, moet je het zelf doen.”
Geldt dat ook voor de andere schakels in de keten?
Je kun niet alles zelf doen, maar je kunt mensen en organisaties wel stimuleren. Er zijn schakels waar je grootschalige financiering voor nodig hebt. Een kleine boer kan veel doen aan teelt, oogst en bewaring, maar voor transport en handel zijn vaak investeringen nodig die zijn capaciteiten te boven gaan. De groothandelsmarkt van Bangkok bijvoorbeeld was altijd moeilijk bereikbaar, want die stond midden in de stad. Inmiddels is er fors geïnvesteerd in een nieuw, enorm centrum gebouwd buiten de stad, goed bereikbaar vanuit de provincie. Voor zulke investeringen heb je andere partijen nodig.”
“Waar het om gaat is dat je je niet alleen focust op jouw onderdeel, in ons geval beter zaaizaad, maar dat je zicht hebt op de hele keten, inclusief de consument. Hoe breng je een verbeterd product aan de man of vrouw? Die moeten als het ware meegroeien met de verbeteringen. Veel gevestigde organisaties en instanties kijken niet over het hek van hun eigen terrein. Wij hebben dat vanaf het begin wel gedaan, omdat we wisten dat beter zaaizaad maar een deel van het verhaal is. Een essentieel onderdeel, maar niet het hele verhaal.”
CV
Simon Nanne Groot is in 1934 geboren in Enkhuizen. Zijn vader was directeur van het familiebedrijf Sluis en Groot. Hij studeerde bedrijfseconomie in Rotterdam en begon na zijn militaire dienst in het familiebedrijf. Als trainee werd hij naar de Verenigde Staten gestuurd waar hij kennis maakte met de teelt van hybriden. Na de overname van het familiebedrijf startte hij samen met zakenpartner Benito Domingo het bedrijf EastWestSeed op de Filipijnen. In de afgelopen veertig jaar bouwde hij een netwerk op van zaadveredelingsbedrijven (en enkele kwekerijen) verspreid over zestig landen op drie continenten. Sinds drie van zijn kinderen actief zijn in het bedrijf, heeft nu ook East-West Seed zich ontwikkeld tot familiebedrijf. Naast de World Food Prize ontving Groot eredoctoraten van de Naresuan University in Thailand en de Universiteit van de Filipijnen. Ook is hij lid voor het leven van de Asia and Pacific Seed Association.
Kader
Heterosis is het effect dat de nakomeling meer groeikracht heeft dan zijn beide ouders. Het treedt op als je twee min of meer zuivere lijnen met elkaar kruist. Eerst moet je zuivere lijnen maken door nakomelingen te kruisen met hun ouders. Kruising levert een F1 hybride, een gewas dat een hoge opbrengst heeft en een grote uniformiteit. Een F1 hybride is niet zaadvast, dat wil zeggen dat hij zijn eigenschappen niet overdraagt op de volgende generatie. De nakomelingen zijn vaak klein, groeien slecht en dragen weinig vrucht. Het heeft dus weinig zin om zaden van hybriden over te houden voor de volgende oogst, waardoor hybriden niet alleen aantrekkelijk zijn voor de boer, maar ook voor de veredelaar.
Gepubliceerd in Vork nr 2, juni 2020
