Snel lezen

  • Natuurlijke eigenschappen van planten geoctrooieerd;
  • Octrooirecht dreigt het klassieke kwekersrecht te verdringen;
  • Free access voor kwekers.

Gepubliceerd in Vork, september 2014

Zijn natuurlijke eigenschappen nieuw, innovatief en nuttig? Het antwoord op die vraag bepaalt of het klassieke kwekersrecht zal worden verdrongen door het octrooirecht. De strijd wordt gevoerd in het parlement, in de rechtbank, in de sector plantenveredeling, en sinds kort ook in de arena van de publieke opinie.

Bionext, de ketenorganisatie voor biologische landbouw en voeding heeft de aanval geopend op het octrooi dat verleend is aan Syngenta voor een rode paprika die resistent is tegen aantasting door trips en witte vlieg, twee notoire plagen in de kasteelt. Op 20 augustus verscheen er een twee pagina’s grote advertentie in NRC Handelsblad met in rood en groen: ‘Is paprika een uitvinding? Nee’. Het is het begin van een ‘crowd funding’ campagne om het octrooi van Syngenta aan te vechten om te voorkomen dat het bedrijf ‘de eigendomsrechten krijgt over alle paprikazaden, -planten en –vruchten met deze eigenschap’.

Een maand eerder speelde er een discussie op FoodLog over een vergelijkbare octrooiaanvraag van Nestle (zie kader). Het voedingsmiddelenbedrijf wil Nigella sativa octrooieren, althans een extract van de plant, die in Nederland zwarte komijn of nootmuskaatbloem wordt genoemd. Het extract zou als ingrediënt in babyvoeding het ontstaan van voedselallergie tegengaan, een claim die overigens nog bewezen moet worden. Hoewel de details verschillen doet ook hier de vraag zich voor of je een natuurlijke eigenschap van een plant kunt octrooieren.

 

Uitvinding of ontdekking

Centraal in beide gevallen staat de vraag of een planteneigenschap die in de natuur voorkomt, geldt als een ontdekking (niet octrooieerbaar) of een uitvinding (wel octrooibaar). Op de achtergrond speelt de strijd tussen enerzijds het kwekersrecht, waarbij de ene kweker mag voortbouwen op het resultaat van zijn voorganger (de kwekersvrijstelling), of het octrooirecht, waarbij de kweker een licentie los moet zien te peuteren van zijn voorganger als hij diens uitgangsmateriaal verder wil veredelen.

De discussie speelt al sinds 1998 toen de Europese biotechnologie richtlijn van kracht werd. Daarmee werd de mogelijkheid geschapen om octrooi aan te vragen op levend materiaal. Weliswaar waren plantenrassen daarvan uitgesloten – daarvoor gold en geldt het kwekersrecht- maar bedrijven bleken wel een octrooi te kunnen krijgen op planten met bepaalde eigenschappen. In eerste instantie ging iedereen er van uit dat het met name ging om planten die via genetische modificatie van een nieuwe eigenschap waren voorzien.

 

Klassieke veredeling

Echter, als je goed leest – en dat doen octrooideskundigen – blijkt dat je ook natuurlijke eigenschappen kunt octrooieren. Dat is ook gebeurd in het geval van de rode paprika waarvoor Syngenta een octrooi heeft gekregen. De eigenschap, het gen, dat de plant resistent maakt tegen trips en witte vlieg, komt van nature voor in paprika – sterker nog, het is afkomstig uit een genenbank. Vervolgens is die eigenschap langs natuurlijke weg, via kruisen en selecteren, ingebouwd in een commerciële paprikavariëteit.

Gewone plantenveredeling dus, zij het met gebruik van merkers en andere moderne verworvenheden van de genetische techniek. Juist dat laatste – het slim gebruiken van genetische technieken – rechtvaardigt volgens Syngenta en dus ook volgens het Europees Octrooibureau – een octrooi. Bionext daarentegen stelt dat het hier toch echt gaat om een geval van klassieke veredeling met een eigenschap die van nature in het gewas voorkomt, waarvoor dus het kwekersrecht zou moeten gelden.

 

Gerimpelde tomaat

De resistente paprika van Syngenta is overigens lang niet het enige voorbeeld waar octrooirecht en kwekersrecht lijken te botsen. Het lijkt alsof de grote agro-multinationals de grenzen van de octrooieerbaarheid opzoeken en dat leidt weer tot de nodige beroepsprocedures. Een van de belangrijkste, zoniet de moeder van alle beroepsprocedures loopt al sinds 2007 en ligt nu bij de Grote Raad van Beroep, de hoogste beroepsinstantie voor het aanvechten van Europese octrooien.

In dit geval gaat het om twee octrooien. Een is verleend aan het Britse bedrijf Plant Bioscience voor een broccoli-ras met een verhoogd gehalte aan gezondheidsbevorderende glucosinolaten. Het andere is verleend aan het Israëlische ministerie van landbouw voor ‘wrinkled tomatoes’, gerimpelde tomaten, die minder water bevatten en daardoor makkelijker te verwerken zijn tot tomatenpuree. Zowel de broccoli als de tomaat zijn het product van klassieke veredeling.

 

Olifanten in de kamer

De ‘elephant in the courtroom’ bij deze beroepsprocedure is de vraag hoe de criteria voor het verlenen van een octrooi worden gedefinieerd. Dat zijn er drie: is het nieuw, is het innovatief en heeft het nut? Met name het tweede criterium is niet altijd even eenduidig. Als je in de Braziliaanse jungle een nieuwe plant ontdekt, dan kun je die niet octrooieren; het is geen uitvinding maar een ontdekking. Kun je er een extract uit halen dat je als medicijn of voedingsmiddel kunt gebruiken, dan is dat weer wel octrooieerbaar. Maar wat als die plant van nature een eigenschap heeft, bijvoorbeeld resistentie tegen witte vlieg, die je langs de natuurlijke weg van kruisen en selecteren kunt overzetten in zijn gecultiveerde soortgenoten? Is het dan een uitvinding of een ontdekking.

De tweede ‘elephant in the room’ bij deze beroepsprocedure is de relatie met het kwekersrecht. Zowel de gerimpelde tomaat als bij de gezondere broccoli zijn op de klassieke manier veredeld, welke methode, volgens een eerdere uitspraak in deze procedure, niet geoctrooieerd kan worden. De vraag is dan of daarmee het product van zo’n niet octrooieerbare methode ook niet met een octrooi te beschermen is. Via een ingewikkelde juridische redenering concludeerde het octrooibureau echter dat er desondanks toch een octrooi verleend kon worden, waarna het hele circus van beroepsprocedures en tegen procedures van start ging.

Inmiddels lijkt het einde in zich. Eind oktober begint de Grote Raad van Beroep met hoorzittingen en komt er waarschijnlijk uitsluitsel over de vraag of een natuurlijke planteneigenschap geldt als ontdekking of uitvinding. En over de vraag of rassen die op de klassieke manier, maar wel met kunstgrepen als merkergenen, onder het octrooi- of onder het kwekersrecht vallen

De rechter lijkt te zijn ingehaald door de ontwikkelingen in de moderne plantenveredeling. Dankzij nieuwe genetische technieken, zoals het CRISPS/Cas systeem voor het redigeren van het genoom, kun je betrekkelijk eenvoudig kleine, niet-relevante wijzigingen aanbrengen in genen. Dankzij die gerichte genetische modificatie, ‘genetic editing’ in het jargon, wordt de betreffende eigenschap, waar het gen voor codeert, mogelijk niet meer als natuurlijk beschouwd en dat maakt de plant weer octrooieerbaar volgens de Biotechnologie Richtlijn uit 1998 en geldt de kwekersvrijstelling niet.

 

Beperkte vrijstelling

Naast de technische ontwikkelingen zijn er ook de politieke ontwikkelingen. Mede dankzij de lobby van Plantum, de Nederlandse vereniging van bedrijven inde sector plantaardig uitgangsmateriaal, is eind vorig jaar een ‘beperkte kwekersvrijstelling’ opgenomen in de Rijksoctrooiwet. Die vrijstelling geeft kwekers de mogelijkheid om ook planten die door een Nederlands octrooi beschermd zijn, te gebruiken voor verdere veredeling. Als de geoctrooieerde eigenschap in een nieuw ras tot uiting komt, moeten ze – anders dan in het kwekersrecht – toch weer een licentie zien te krijgen van de octrooihouder.

‘Op zich is de aanpassing van de Rijksoctrooiwet een stap in de goede richting’, zegt Niels Louwaars, directeur van Plantum. ‘Het probleem is alleen dat de kweker vrij zwak staat in zijn onderhandelingen met de octrooihouder. Hij heeft zes, zeven, misschien wel tien jaar geïnvesteerd in het ontwikkelen van het nieuwe ras en dan moet hij maar afwachten of hij überhaupt een licentie krijgt en wat hij ervoor moet betalen. Wij, en ook de Nederlandse overheid, zouden dat wel anders willen, maar verder dan een beperkte kwekersvrijstelling mag een lidstaat niet gaan volgens de Europese regels.’

Ondertussen echter is ook in andere Europese landen de discussie losgebarsten over het octrooieren van natuurlijke eigenschappen. Daarbij gaat het niet alleen om eigenschappen van planten. Ook de discussie over het Amerikaanse octrooi op genen voor borstkanker (en de verplichting om de screening bij de octrooihouder uit te laten voeren) hebben in Europa tot de nodige onrust geleid. De Duitse Bondsdag bijvoorbeeld heeft zich uitgesproken tegen octrooien op natuurlijke eigenschappen – bij mens, dier en plant. Ook de Franse ‘Haute Conseil des Biotechnologie’ heeft zich kritisch uitgelaten over de octrooien ‘op leven’. Het verschil met de Nederlandse discussie, die vooral praktisch is ingestoken, is dat de Europese discussie vooral gaat over principes.

 

Free access

Ondertussen zit het bedrijfsleven ook niet stil. Kwekers van groentezaden – die vrijwel allemaal in Nederland zijn gevestigd – zijn om de tafel gaan zitten om te kijken of ze zelf initiatieven konden nemen om de scherpte kantjes van het octrooirecht af te slijpen. ‘Het doel was om te voorkomen dat de ontwikkeling van nieuwe rassen wordt geblokkeerd door octrooien, want daar is niemand bij gebaat’, zegt Louwaars. ‘In eerste instantie werd gedacht aan een mandje met daarin alle octrooien. Voor een vaste prijs zou elke kweker een licentie kunnen krijgen voor alle octrooien. ‘Free access but not for free’.

Omdat de kans groot was dat de mededingingsautoriteiten daar een stokje voor zou steken, is de vaste licentie voor alle octrooien niet doorgegaan. Louwaars: ‘Nu wordt gedacht aan een ander mechanisme waarbij het onmogelijk wordt gemaakt om een licentieverzoek te weigeren.’

 

Oeverloos

Uit het voorgaande blijkt dat het debat over de reikwijdte van octrooi- en kwekersrecht wordt gevoerd in verschillende arena’s: politiek, juridisch en economisch. De kern is dat bedrijven vaak hoge kosten maken om nieuwe variëteiten met gewenste eigenschappen te ontwikkelen. Om die kosten terug te verdienen willen ze een zekere bescherming. Tegelijkertijd is het ongewenst dat die bescherming verdere ontwikkeling blokkeert. Met een kwekersvrijstelling of een verplichte licentie, al dan niet voor een vast bedrag, moet daar uit te komen zijn. Zo’n pragmatische aanpak is veruit te verkiezen boven een oeverloze maatschappelijke discussie over de vraag of ‘leven’ octrooieerbaar mag zijn of wat een “natuurlijke eigenschap” precies is.

-0-0-0-0-

 

Nestlé-octrooi

De discussie op FoodLog halverwege juni betrof een octrooi-aanvraag van Nestlé op Nigella sativa, een plant die al eeuwenlang wordt gebruikt vanwege zijn geneeskrachtige werking. Meer specifiek ging het om een octrooi op de werking van een component – thymoquinone – op bepaalde receptoren van de mens, waardoor allergische reacties op voedingsmiddelen worden verminderd.

De vraag is of de aanvraag gehonoreerd kan worden. De geneeskrachtige werking van N. sativa is immers al eeuwenlang bekend en bovendien gaat het om een natuurlijke eigenschap. De gebruikte extractiemethode zou een uitvinding kunnen zijn – en dus het octrooieren waard – maar even zo geod kan het een combinatie van bekende methoden zijn.

Iets anders dat bij deze aanvraag speelt en waar etnobotanicus Tedje van Asseldonk op wees, was dat levensmiddelenbedrijven werkzame stoffen uit geneeskrachtige kruiden te isoleren (en te octrooieren) om ze als ingrediënt of supplement te gebruiken in voedingsmiddelen. Derdewereldlanden en importeurs van kruiden/specerijen kunnen hier nadelen van ondervinden, vooral als de volgende stap is om de natuurlijke bron van deze werkzame stoffen (een voedings- of geneesplant) te verbieden op grond van een verwijzing naar een gedocumenteerd farmacologisch effect.

Ook de levensmiddelenproducenten zelf kunnen van een koude kermis thuiskomen. Alvorens het als ingrediënt toegevoegd mag worden moet het worden getoetst aan de richtlijnen van de Novel Food richtlijn. Bovendien moet de werkzaamheid bewezen worden, alvorens het bedrijf een effect op de gezondheid kan claimen. Nu is het al lastig om de geneeskrachtige werking van een medicijn voor zieke mensen te bewijzen, maar nog lastiger is het om te bewijzen dat een bepaalde stof gezonde mensen nog gezonder maakt.

De andere weg waarlangs ze van een koude kermis thuis kunnen komen is dat de betreffende stof minder of niet werkzaam is in zijn geïsoleerde vorm. ‘De wijze van extractie is heel belangrijk’, zegt Tedje van Asseldonk. ‘In de kruidengeeskunde gaat het vaak niet om een enkele stof, maar om een combinatie van stoffen in verschillende concentraties. Ik vergelijk het wel eens met de smaak van wijn; die wordt ook niet bepaald door een enkele stof, maar door een groot aantal stoffen in verschillende concentraties.’