Landbouw in de stad

/, Landbouw/Landbouw in de stad

Snel lezen

  • Verstedelijking drijft boeren naar periferie, terwijl natuur verdwijnt
  • Ruimtelijke ontwikkeling richten op integratie van stad en platteland

Gepubliceerd in De Ingenieur, juni 2014

Sinds een halve eeuw staan boer en burger, stad en platteland met de ruggen naar elkaar. Het zijn twee gescheiden werelden, die elkaar niet kennen en niet begrijpen. Dat kan niet zo blijven. Met de opkomst van megasteden wordt voedselproductie in de stad noodzakelijk. En het biedt nog voordelen ook.

Zonder boeren geen steden, schrijft de Britse architect en hoogleraar Carolyn Steel haar boek ‘De Hongerige Stad’ en zo is het natuurlijk. Steden konden pas ontstaan toen de mens zijn nomadisch bestaan inruilde voor het sedentaire bestaan van de boer en zoveel extra voedsel wist te produceren dat hij ook de priesters, kooplui, ambachtslieden en ambtenaren kon voeden. De aanvoer van voedsel beperkte ook de omvang van de stad; de grootste steden in de Middeleeuwen telden vaak niet meer dan enkele tienduizenden inwoners. Pas met de komst van de spoorlijnen in de 19e en het vrachtvervoer in de 20ste eeuw werd de afhankelijkheidsrelatie tussen stad en ommelanden doorbroken en ontstonden steden met meer dan een miljoen inwoners.

Hamburger

Inmiddels woont meer dan de helft van de wereldbevolking in stedelijk gebied. Halverwege deze eeuw is dat naar verwachting 75 procent, ofwel zo’n zes miljard mensen. Die mensen moeten allemaal worden gevoed. De opkomende middenklasse in landen als China, India en Brazilië wil niet alleen voldoende calorieën binnen krijgen, maar die moeten bijvoorkeur ook smakelijk worden verpakt in de vorm van vlees, eieren, groenten, fruit en snacks. Ter illustratie: In 1962 at de gemiddelde Chinees vier kilo vlees per jaar, maar in 2005 was dat al 60 kilo. De burger is eigenlijk een hamburger, aldus Steel.

Het voeden van al die burgers is een enorme logistieke operatie. Een wijksupermarkt heeft een assortiment van 10 tot 20.000 producten, die jaarrond te krijgen zijn, onafhankelijk van het seizoen. Voor een belangrijk deel gaat het om versproducten – bederfelijke waar dus – die niet alleen in goede conditie moeten blijven in vaak lange aanvoerketens, maar ook goed moeten smaken. Mede daardoor verdwijnt er jaarlijks voor vier miljard euro aan voedsel in de vuilnisbak – ruim een kwart van de totale aanvoer. Omdat schapruimte kostbaar is, is de levering vaak ‘just-in-time’. Een derde van de vrachtwagens op de Nederlandse wegen vervoert voedingsmiddelen over een totale afstand van en half miljard kilometer per jaar.

Verdringing

Met de opkomst van megasteden wordt dit model steeds minder houdbaar. Landschapsarchitect ir. Dirk Sijmons spreekt in dit verband van een verdringingsreeks (De Ingenieur, april 2014). Nederland is er een mooi voorbeeld van. In eerste instantie was onze delta een zeer gevarieerd en rijk natuurgebied, tot de mens zich er vestigde en de vruchtbare bodem ging gebruiken voor landbouw. De steden die dankzij de landbouw ontstonden hadden steeds meer ruimte nodig, en omdat de burger meer kon en wilde betalen voor de grond, moest de boer steeds een stukje verder opschuiven. En dat ging weer ten koste van de natuur. Ondertussen is de helft van het vruchtbare areaal in de wereld in cultuur gebracht en is iedereen het erover eens dat dat proces niet tot in het oneindige door kan gaan.

Naast de fysieke verdringing staat de relatie tussen stad en platteland ook op andere manieren onder druk. De verstedelijking leidt, zoals gezegd tot een opwaartse druk op de grondprijzen in een gebied met een straal van 100 en meer kilometer rondom de stad. Om bij stijgende grondprijzen nog een inkomen te verdienen, worden boeren gedwongen tot schaalvergroting en intensivering. Het is niet voor niets dat de meest intensieve vormen van landbouw – de (glas)tuinbouw en de intensieve veehouderij – dichtbij en soms zelfs in het stedelijk gebied liggen.

Dat botst weer met een andere functie van het platteland voor de stad, namelijk die van decor voor recreatieve activiteiten, zoals wandelen en fietsen en – voor sommigen – als schuilplaats om te ontsnappen aan de stedelijke hectiek. Dat vertaalt zich, volgens ir. Marco van Steekelenburg en dr. Henk van Latesteijn, in een toenemend aantal, vaak tegengestelde eisen die vanuit de stad worden gesteld, niet alleen aan het landschap, maar ook aan bedrijfsvoering van de boer. Dat varieert van meer aandacht voor dierenwelzijn tot pleidooien voor biologische landbouw en het aan banden leggen van megastallen voor intensieve veehouderij. Het gevolg is dat de boer klem komt te zitten, omdat hij niet tegelijkertijd goed en goedkoop voedsel kan produceren en aan al die ecologische en sociale eisen kan voldoen.

Tegenstelling

Van Steekelenburg en Van Latesteijn hebben, in het kader van het – inmiddels afgesloten – onderzoeksprogramma Transforum, een boek geschreven over “Metropolitane Landbouw”. Daarin laten ze zien hoe zich onder druk van de stijgende grondprijzen en de eisen die vanuit de stad worden gesteld, nieuwe vormen van landbouw ontwikkelen, zoals de ecologisch gedreven biologische landbouw en de sociaal gedreven stadslandbouw. Tegelijkertijd verandert ook de intensieve, economisch gedreven landbouw van karakter. Dat neemt niet weg dat die verschillende vormen van landbouw vaak ruimtelijk zijn gescheiden, maar ook in termen van doelstellingen en waarden bevinden ze zich in aparte werelden: De rationele, grootschalige geïndustrialiseerde landbouw versus de kleinschalige biologische landbouw. Zij bepleiten daarom een nieuwe vorm van landbouw, metropolitane landbouw.

In zijn inaugurele rede als lector Metropolitane Landbouw aan de Hogeschool Van Hall Larenstein, schetst dr. ir. Rik Eweg – overigens ook afkomstig van Transforum – drie strategieën om die verlammende tegenstelling te overbruggen en te komen tot een metropolitane landbouw in het stedelijk gebied die die verschillende vormen met elkaar verbindt.

Duurzaam

De economisch gedreven landbouw zou zich moeten richten op duurzaam intensiveren door kringlopen te sluiten, bijvoorbeeld door het combineren van intensieve veehouderij met groenten onder glas. Een voorbeeld daarvan zijn de plannen voor Greenport Sjanghai. Ook in eigen land zijn er plannen in die richting, zoals het Nieuwe Gemengde Bedrijf in Grubbenvorst, een combinatie van een vleeskuikenbedrijf annex kippenslachterij, een varkensbedrijf en een bio-energiecentrale, war niet alleen de mest, maar ook het plantaardig afval uit hete nabijgelegen tuinbouwgebied wordt omgezet in biogas, elektriciteit en mest. Ondanks de voordelen van het sluiten van kringlopen en het verminderen van transportkilometers (800.000 kilometer per jaar) stuiten de plannen voor het Nieuwe Gemengde Bedrijf op verzet van omwonenden vanwege de grootschaligheid.

De ecologisch landbouw zou zich moeten richten op de behoeften van stedelingen aan producten met een verhaal en de bereidheid om daarvoor te betalen. Een succesvol voorbeeld daarvan is de winkelketen Marqt, een supermarkt voor biologische producten, voornamelijk vanuit de directe omgeving. Een ander voorbeeld, niet-biologisch, zijn de Rondeeleieren, afkomstig van een diervriendelijke kippenstal. Dit jaar is er zelfs een mini-Rondeel gebouwd op de Zuid-As in Amsterdam, waar mensen kunnen vergaderen en tegelijkertijd hun elektrische scooter kunnen opladen met duurzame stroom.

De sociaal-gedreven landbouw tenslotte zou aan kunnen sluiten bij sociaal-culturele behoeften in de stad. Een voorbeeld daarvan is de Stichting Landzijde, die zo’n 150 boeren verenigt in Noord-Holland die professionele zorgarrangementen aanbieden aan ouderen, psychiatrische patiënten en/of drugsverslaafden. Metropolitane landbouw is, aldus Eweg, het slim, ruimtelijk combineren van die verschillende vormen van landbouw, waardoor je in de uiteenlopende behoeften van de stedeling kunt voorzien en tegelijkertijd het gebruik van natuurlijke hulpbronnen en infrastructuur optimaal kunt benutten.

Hoger schaalniveau

Daarvoor moeten we wel naar een hoger schaalniveau dan stad en ommelanden, stellen Van Steekelenburg en Van Latesteijn. We moeten zelfs over de landsgrenzen heen kijken naar het niveau van de metropolitane superregio. In ons geval is dat ABC-Rijnland, waarbij ABC staat voor Amsterdam-Brussel-Cologne (Keulen), een regio die 70 miljoen mensen telt en waarvan 70 procent van het oppervlak in cultuur is gebracht. Met een straal van ca. 300 kilometer is het ook een gebied waar stad en platteland elkaar wederzijds beïnvloeden.

Intensiveren van de voedselproductie op de ene plek binnen de superregio, schept mogelijkheden om elders in het gebied de landbouw te extensiveren voor bijvoorbeeld biologische of zorglandbouw al dan niet in combinatie met behoud of herstel van het oorspronkelijke cultuurlandschap voor de recreatie. Intensiveren biedt ook de mogelijkheid landbouwgrond weer om te zetten natuur en zo de verdringingsreeks van landschapsarchitect Dirk Sijmons te keren en toch de voedselstroom naar de stad op peil te houden.

Voorwaarde is wel dat de overheden van Nederland, Vlaanderen en de Duitse deelstaten Noordrijn-Westfalen en Hessen een visie op hoofdlijnen ontwikkelen op de ruimtelijke ontwikkeling van de superregio en die visie vorm te geven via een gemeenschappelijk landbouwbeleid op hoofdlijnen, een agrarische ontwikkelingspolitiek. Op lokaal niveau kan dan worden ingevuld hoe de verschillende vormen van landbouw kunnen worden gecombineerd op zo’n manier dat stad en platteland, boer en burger, blijvend met elkaar worden verbonden.

Kader

Van oudsher worden groenten en fruit geteeld in achtertuintjes en volkstuintjes, maar vooral de laatste jaren zien we de opkomst van stadslandbouw: braakliggende stukken grond waarop semiprofessioneel groenten en fruit worden geteeld, vaak met behulp van vrijwilligers. Een voorbeeld is ‘Uit je eigen stad’ in Rotterdam, in de schaduw van de Marconitorens. Zonder vrijwilligers kan stadslandbouw niet uit en zelfs dan haalt ‘Uit je eigen stad’ maar tien procent van zijn omzet uit de eigen tuin en negentig procent uit het bijbehorende restaurant. Stadslandbouw heeft dan ook vooral een ideëel motief, namelijk om stedelingen bewust te maken van de oorsprong van hun voedsel.

De laatste jaren zien we ook allerlei initiatieven om op commerciële schaal stadslandbouw te bedrijven. Een voorbeeld is ‘vertical farming’ (De Ingenieur, februari 2010), glazen wolkenkrabbers waarin volautomatisch gewassen worden geteeld, die vervolgens rechtstreeks naar de versafdeling van de naastgelegen supermarkt worden getransporteerd. Een nog verdergaand initiatief is het Nederlandse PlantLab, waarin gewassen worden geteeld in containers onder volledig gecontroleerde omstandigheden, de zogeheten ‘plant production units’ (PPU’s). Zelfs het licht is niet afkomstig van de zon, maar van LED-lampen.

Op verzoek van de Rijksbouwmeester heeft Ontwerpbureau Shift uit Rotterdam onderzocht of deze vorm van indoor farming een alternatief zou kunnen zijn voor leegstaande kantoorpanden. Dat blijkt niet het geval. Op de eerste plaats is maar een klein gedeelte van de leegstaande kantoren geschikt voor het plaatsen van dergelijke PPU’s, omdat het casco vaak niet geschikt is vanwege kolommen, trappenhuizen en andere bouwelementen. Bovendien is het casco maar een deel van het verhaal. Er moeten ook allerlei voorzieningen worden getroffen voor de aanvoer van water en nutriënten en de afvoer en verwerking van de groenten. Daarom is hergebruik van lege kantoorpanden in de meeste gevallen duurder dan nieuwbouw.

Afgezien daarvan is de teelt van groenten onder kunstlicht – zelfs al is dat afkomstig van LED-lampen – nog erg duur. Voor een gewas als marihuana kan het wel uit, zoals honderden thuiskwekers hebben laten zien, maar daar betaal je dan ook 8 euro per gram voor. De allerduurste honingtomaten kosten nog geen twee cent per gram. Vooralsnog richt PlantLab zich dan ook op gewassen met medicinale toepassingen en/of functional foods, waarbij de totale controle over de teelt een doorslaggevende factor kan zijn.

Joost van Kasteren

By |2014-07-14T22:50:52+00:00juni 25, 2014|