VALSE ROMANTIEK

You know, farming looks mighty easy when your plow is a pencil and you’re a thousand miles from the corn field.

Dwight D. Eisenhower (1956)

 

Het maatschappelijke en politieke debat over landbouw is de laatste jaren in hevigheid toegenomen. In Nederland lijkt het zich vooral te concentreren op de tegenstelling tussen conventionele of gangbare landbouw en wat ik bij gebrek aan beter ‘natuurlijke of ecologische landbouw’ noem. De conventionele landbouw wordt daarbij gezien als slecht voor milieu, gezondheid en natuur vanwege zijn grootschaligheid en overmatig gebruik van kunstmest en pesticiden. De ‘natuurlijke’ landbouw daarentegen, variërend van biologische landbouw tot voedselbossen, wordt gepresenteerd als een kleinschalige, niet-vervuilende vorm van voedselproductie in combinatie met natuur in een welhaast paradijselijke omgeving. Of, in de woorden van auteur Rutger Bregman ‘een boerderij zoals je die zit in kinderboeken’. Kalfjes huppelen in de wei, de haan kraaiend op de mesthoop en varkens lui liggend in de modder.

De Oostenrijkse filosoof Christian Durnberger heeft het in dit verband over de romantisering van het boerenleven, een fenomeen dat zich vooral voordoet in stedelijke milieus. “Boerin zijn betekent – zeker in de reclame, maar ook in de dromen van de stadsmens die uit het drukke leven wil ontsnappen – een leven te leiden zoals dat ooit was en zoals het eigenlijk zou moeten zijn: spiritueel, niet-vervreemd, op het ritme van de jaargetijden, enz.” De voedingsindustrie speelt daar handig op in door in hun marketing de technologie die nodig is om hun producten te maken buiten beeld te houden en de landbouw voor te stellen als een ‘techniek-vrije idylle’. Omgekeerd maken organisaties als Wakker Dier en Pesticide Action ook handig gebruik van het romantische beeld van het boerenbestaan door juist moderne productiemethoden negatief voor te stellen.

Veel mensen uit de spraakmakende klasse gaan mee in die romantisering van het boerenleven. Ze pleiten voor een landbouw die kleinschalig, biologisch en lokaal is. En liefst ook nog verbonden met de burger, zodat hij/zij zich weer realiseert waar voedsel vandaan komt. Die filosofie wordt ook steeds meer in praktijk gebracht met initiatieven als Herenboeren, Land van Ons en CSA-netwerk, waarbij CSA staat voor ‘community supported agriculture’. Op zich zijn dit soort initiatieven toe te juichen. Altijd nuttig als mensen zich realiseren, dat het produceren van voedsel veel fysieke en mentale inspanning vergt, zeker als je dat wil doen zonder moderne hulpmiddelen.

Het wordt pas problematisch als deze vormen van landbouw worden gezien als de weg vooruit. En dat dreigt wel te gebeuren. De Europese boer-tot-bord strategie bijvoorbeeld richtte zich op een ‘eerlijk, gezond en milieuvriendelijk Europees voedselsysteem’ dat minder afhankelijk is van kunstmest en synthetische (‘chemische’) bestrijdingsmiddelen. Ook zou het areaal biologische landbouw moeten groeien tot een kwart van het totale landbouwareaal – in Nederland tot 15 procent. Vanaf medio 2023 werd de boer-tot-bord strategie steeds verder afgezwakt en niet ten onrechte. De doelstellingen werden, in de woorden van de Vlaamse landbouweconoom Tessa Avermaete, te veel gedreven door ideologie en stonden te ver af van de diversiteit aan fysische, economische en sociale omstandigheden waar boeren in de Europese Unie mee te maken hebben.

De voorkeur voor een ‘natuurinclusieve’ landbouw die kleinschalig, biologisch en lokaal is op zijn zachtst gezegd problematisch in het licht van de uitdagingen waar de landbouw voor staat (zie hoofdstuk 1). Evenals bij andere sectoren ligt er de opgave om halverwege deze eeuw nagenoeg klimaatneutraal voedsel te produceren, naast een groeiende hoeveelheid agrarische grondstoffen voor het klimaatneutraal maken van de bouw en de chemische industrie. Tegelijkertijd ligt er de opgave om meer fysieke ruimte vrij te maken voor het verbeteren van natuur en biodiversiteit. Met name door verandering van landgebruik – het omzetten van ‘woeste gronden’ in akkers en weilanden – verdwijnen steeds meer soorten. Daarnaast heeft ook het ondoelmatig gebruik van meststoffen (stikstof) en bestrijdingsmiddelen gevolgen voor de biodiversiteit.

Dat alles vindt plaats tegen de achtergrond van de groei van wereldbevolking en welvaart, waardoor de agrarische productie wereldwijd met circa 60 procent moet stijgen om in de behoefte te voorzien. Dat is nog afgezien van de groeiende behoefte aan agrarische grondstoffen in bouw en nijverheid. Weliswaar hoeven we dat in Nederland niet allemaal voor onze rekening te nemen, maar we zijn wel een belangrijke leverancier van zaai- en pootgoed, machines en installaties en vooral ook van kennis. Dat schept verplichtingen, ‘noblesse oblige’.

Dat ‘adeldom’ verplicht, geldt ook als het gaat om de gevolgen van klimaatverandering voor de landbouw. Waarschijnlijk zullen die gevolgen in Zuid- en Centraal-Europa een stuk negatiever uitvallen dan in het Noordwesten, in onze regio dus. Als gevolg van hoge temperaturen en langdurige periodes van droogte zullen de opbrengsten in het zuiden en oosten waarschijnlijk dalen, terwijl een langer groeiseizoen in Noordwest- Europa mogelijk voordelen biedt in de vorm van een langer groeiseizoen. Voor een deel zullen we hier dan de vraag naar voedsel en grondstoffen in het zuiden moeten opvangen.

Tenslotte hebben we te maken met geopolitieke verschuivingen in de wereld. Die waren al langer aan de gang, maar zijn des te scherper geworden door de inval van het Russische leger, aangevuld met huurlingen in Oekraïne. De voedselzekerheid in Europa is nog niet in het geding geweest, maar het is niet gezegd dat dat zo zal blijven. Daarnaast kan het strategisch verstandig om onze landbouwkundig kennis en expertise te gebruiken om landen op een vredelievende manier aan ons te binden, bijvoorbeeld via een Marshall Plan voor de Afrikaanse landbouw.

Een Nederlands en Europees landbouwbeleid dat inzet op kleinschalig, lokaal en biologisch schiet in mijn ogen hopeloos tekort als het gaat om het tegemoetkomen aan deze uitdagingen. Het klinkt niet alleen erg romantisch, het is het ook. Het idyllische beeld dat ermee wordt opgeroepen, bestaat in feite alleen in commercials van voedingsmultinationals. In plaats van terug te kijken naar de 19e eeuw – voor de tijd van kunstmest, synthetische bestrijdingsmiddelen en gerichte plantenveredeling – doen we er beter aan om de ecologische inzichten en de technologie van de 21ste eeuw te benutten voor de duurzame ontwikkeling van de landbouw.