MEER PRODUCTIE, MINDER IMPACT

“Waar we nu echter het meest voor moeten vrezen, is onze krioelende bevolking. Onze aantallen zijn een last voor de wereld. De aarde kan ons nauwelijks nog voeden. Onze behoeften worden steeds scherper en de klachten die uit onze monden komen worden bitter. De natuur slaagt er niet meer in ons haar gebruikelijke levensonderhoud te bieden…”

Tertullianus: De Anima (c.a. 200 n.Chr.)

 

Een tijd geleden was ik in Malawi, een slurfvormig stukje land, half ingeklemd tussen Mozambique en het Malawimeer en voor de andere helft grenzend aan Tanzania en Zambia. Het is een voormalig Brits protectoraat – onafhankelijk sinds 1964 – en behoort tot een van de armste landen in de wereld. Het is vier keer zo groot als Nederland en telt ongeveer evenveel inwoners. Daarvan werkt zo’n 80 procent in de landbouw. Het zijn vooral kleine boeren die voornamelijk voor eigen gebruik telen. Keuterboeren zou je zeggen als het niet zo’n denigrerende term was.

Voor sommige maatschappelijke organisaties is dat een soort ideaalbeeld. Terug naar de natuur, je eigen voedsel verbouwen. Heel fijn als er een supermarkt om de hoek is, maar de geschiedenis leert dat geen enkel land ooit welvarend is geworden als het overgrote deel van de bevolking op het land werkt. Je kunt het ook anders zeggen: de modernisering van de landbouw is de startmotor van economische ontwikkeling. Met beter zaaizaad, voldoende (kunst)mest en adequate gewasbescherming stijgen de opbrengsten.

Als boeren meer kunnen produceren dan nodig is voor het voeden van hun gezin, worden arbeid, intellect en creativiteit vrijgespeeld voor het creëren van meer welvaart. Het begint met handel in en transport van die overschotten met de bijbehorende administratie en gaandeweg ontstaan nieuwe bedrijven en nieuwe diensten. In de Westerse wereld zijn we al een heel end geklommen in de piramide van Maslow. In fysiologische behoeften, zoals voedsel, water en sanitair is voor de meeste mensen al voorzien en dat geldt ook voor de behoefte aan veiligheid en zekerheid en aan sociaal contact. In Malawi en andere landen in Afrika en Azië waar ik ben geweest, is die ontwikkeling nog in volle gang. Wat daarbij opvalt overigens is de enorme inventiviteit en handelsgeest, ook in de armste sloppenwijken van de steden. Van bijna niets wordt iets gemaakt, dat andere mensen willen kopen.

Haperende startmotor

Het aanzwengelen van de startmotor, de modernisering van de landbouw is een proces van vallen, opstaan en weer doorgaan. Dat werd me duidelijk toen ik een trainingscentrum voor jonge boeren bezocht in de buurt van Lilongwe, de hoofdstad van Malawi. Na een rondleiding over het complex, waar veel verschillende gewassen worden geteeld op kleine stukjes land – een half voetbalveld – mocht ik een les bijwonen van Angelah Phiri, landbouwvoorlichter en leider van het trainingscentrum. Ze vertelde jonge boeren hoe ze een teeltplan op moesten zetten. Daarbij moesten ze rekening moeten met alle kosten die ze moeten maken voor zaaizaad, kunstmest, bestrijdingsmiddelen en arbeid. Vervolgens moesten ze een schatting maken van de verwachte opbrengst – in kilo’s en in geld. Daar hoorde ook een stukje marketing bij. Angela Phiri: “Timing is belangrijk. Als iedereen op dezelfde tijd tomaten of kool naar de markt brengt, is de prijs laag. Te laag misschien om uit de kosten te komen.”

De jonge boeren die de omslag willen maken van productie voor (voornamelijk) eigen gebruik naar productie voor de markt, zien zich in de praktijk geconfronteerd met de nodige hindernissen. Een daarvan is het thuisfront. Traditioneel wordt er op kleine akkertjes een paar honderd vierkante meter – maïs verbouwd voor eigen gebruik. Meestal zijn dat sneller groeiende (hybride) maisvariëteiten, waarvan je het zaad niet kunt overhouden. Volgens landbouwvoorlichter Phiri zou het beter zijn om maïs te vervangen door cassave, een gewas dat veel minder kunstmest vraagt. Tegen het einde van de regentijd breekt de ‘hongerperiode’ aan, de weken, maanden voor de volgende oogst. Het voordeel van cassave is dat je niet alleen de knol, maar ook het blad kunt eten. Bovendien kun je de stengel gebruiken als stek voor de volgende oogst.

Ondanks de gunstige eigenschappen van cassave voor boeren, voert maïs nog steeds de boventoon, mede onder druk van ‘we hebben het altijd zo gedaan’. Datzelfde geldt voor de jonge boer die groenten wil telen voor de markt. Hij, of meestal zij moet opboksen tegen de oudere generatie, die dat maar een riskante onderneming vindt. Toch kunnen ze als kleine teler beter inzetten op groenten en andere gewassen die ze op de markt kunnen verkopen. Landbouwvoorlichter Angelah Phiri: “Met het geld dat de teelt van cash cropsoplevert, kunnen ze dan maïs of cassave kopen voor hun gezin en houden ze meer over voor andere uitgaven zoals schoolgeld en brandstof.”

Naast de sociaal-culturele horde is ook het ontbreken van infrastructuur een belangrijke belemmering voor de omslag van keuterboer naar ondernemende boer. Over het laatste stukje naar het trainingscentrum, een afstand van tien kilometer, deden we even lang als over de eerste veertig kilometer van de tocht over een geasfalteerde weg. De onverharde weg vol met kuilen maken het centrum nagenoeg onbereikbaar voor vrachtwagens – laat staan de kleine boerderijen in de wijde omgeving ervan. En dan hebben we het nog maar niet over voor ons vanzelfsprekende zaken als koeltransporten.

Het ontbreken van een fatsoenlijke infrastructuur is dan ook een van de belangrijkste redenen dat op de markten in de steden vooral producten worden verkocht die zijn geïmporteerd. In veel landen in Afrika bijvoorbeeld is rijst uit Thailand vaak goedkoper dan de rijst die in eigen land wordt geproduceerd. Omdat hun afzetmarkt slecht bereikbaar is, zijn boeren ook weinig gemotiveerd om voor meer dan eigen gebruik te produceren. De investeringen in zaaizaad, kunstmest en bestrijdingsmiddelen zijn niet gering en het risico dat ze hun product niet kunnen verkopen is vaak te groot.

Groeiende bevolking, groeiende welvaart

De situatie in Malawi is illustratief voor de ontwikkelingen in Afrika ten zuiden van de Sahara. De bevolking groeit snel, van een kleine 300 miljoen in 1960 tot 1,3 miljard in 2020 en naar verwachting 2,5 miljard in 2050.  Daarna lijkt de groei af te remmen en zou de bevolking in de loop van de 22ste eeuw zelfs af kunnen nemen. Tot die tijd moeten we er rekening mee houden dat er nog ruim een miljard mensen bijkomen in Afrika ten zuiden van de Sahara. Dat is de helft van de verwachte bevolkingsgroei wereldwijd tot 2050.

Tot op heden hebben Afrikaanse boeren de bevolkingsgroei redelijk bij kunnen benen. Extreme hongersnoden zoals we die kennen uit Azië in de periode tot pakweg halverwege de jaren zestig, zijn vooralsnog uitgebleven. Uitgezonderd natuurlijk de gebieden waar burgeroorlogen hebben gewoed en nog woeden, zoals in Soedan. Maar het is op het randje. Omdat de prijs van kunstmest in 20222 verdrievoudigde als gevolg van de oorlog in Oekraïne, staat de voedselzekerheid in Malawi en elders onder druk.

De groei van de voedselproductie tot nu toe is grotendeels te danken aan de groei van het landbouwareaal. Door de nood gedwongen worden nu akkers aangelegd op gronden die daar niet erg geschikt voor zijn, zoals berghellingen, die gevoelig zijn voor erosie. Of in gebieden waar voorheen de natuur zijn gang kon gaan. De productiviteit – de opbrengst per hectare – is echter nauwelijks gestegen door gebrek aan zaaizaad, kunstmest en bestrijdingsmiddelen en door sociale en economische hindernissen en het gebrek aan goede wegen en opslagmogelijkheden.

Afrika springt eruit, maar ook voor de rest van de wereld geldt dat de behoefte aan voedsel de komende decennia sterk zal stijgen: Van acht miljard mensen nu tot om en nabij de tien miljard in 2050. Wat dat voor gevolgen heeft, op wereldschaal is een tijd geleden in kaart gebracht door het World Resources Institute, een wereldwijd opererende denktank die onderzoek doet naar en voorstellen doet voor duurzaam beheer van natuurlijke hulpbronnen. Samen met een aantal partners publiceerde het instituut in 2019 het rapport ‘Creating a sustainable food future’ met als ondertitel ‘een menu aan oplossingen om in 2050 bijna tien miljard mensen te voeden.’

In het rapport noemen de auteurs een aantal uitdagingen waar de landbouw, of breder het voedselsysteem voor staat in de komende dertig jaar. Om te beginnen groeit de vraag naar voedsel, niet alleen doordat de wereldbevolking groeit, maar ook doordat de inkomens blijven stijgen. De laatste decennia slagen steeds meer mensen erin om uit de armoedeval te komen. Het zijn er nog steeds veel te veel, maar het aantal mensen dat moet rondkomen van iets meer dan twee dollar per dag (het absolute minimum) is tussen 1990 en 2019 gedaald van twee miljard naar circa 800 miljoen.

De groeiende welvaart met name in de middeninkomenslanden zoals China en India, zorgt ervoor dat mensen ook duurder voedsel gaan eten: meer groenten en fruit, meer vlees en meer bewerkte producten. Of ook de verspilling van voedsel toeneemt is lastig te zeggen. Aan de ene kant zullen mensen sneller voedsel wegdoen omdat het niet lekker meer is of over de datum. Aan de andere kant zijn er, bij toenemende welvaart ook minder verliezen zowel voor als na de oogst van een gewas in de opslag.

Hoe het ook zij, het World Resources Institute rekent voor dat de vraag naar voedsel tot 2050 zal groeien met 56 procent. Een beetje een raar getal – dat meer precisie suggereert dan je op basis van modelstudies kunt waarmaken. Dus laten we zeggen tussen de 50 en 60 procent. Dat komt overeen met andere scenario’s van onder meer de Voedsel- en Landbouworganisatie van de Verenigde Naties (FAO) en de Wereldbank. Daarmee is overigens niet gezegd dat dat ook zal gebeuren, het zijn en blijven scenario’s op basis van modellen. Voor het ontwikkelen van een beleid op de lange termijn is het echter wel goed om er rekening mee te houden.

Opbrengsten verhogen of eerlijker verdelen

Om in de groeiende vraag te voorzien zouden we tegen die tijd 600 miljoen hectare landbouwgrond extra nodig hebben, tweemaal de oppervlakte van India ofwel bijna 12 procent meer dan het huidige areaal (5,1 miljard hectare). Daarbij zijn de onderzoekers uitgegaan van een groei van de productiviteit die overeenkomt met die van de laatste decennia. In die periode zijn de opbrengsten per hectare elk jaar met x procent gestegen. Alleen de laatste jaren zien we de stijging wat afvlakken. Maar zelfs met een voortgaande stijging van de opbrengsten per hectare, zouden we dus nog miljoenen hectares extra nodig hebben om in de groeiende vraag naar voedsel te voorzien. Die toename van het areaal is voor een groot deel te danken (of te wijten, al naargelang je overtuiging) aan de groeiende consumptie van vlees en zuivel. Nu al wordt het overgrote deel van het landbouwareaal – ruim 75 procent – gebruikt voor de productie van dierlijke eiwitten. Dan hebben we het over een oppervlak van zo’n duizend keer Nederland.

Enige relativering is daarbij op zijn plaats, omdat de veehouderij in de rest van de wereld niet altijd op dezelfde leest is geschoeid als die in Nederland of Vlaanderen. Een paar jaar geleden was ik op bezoek bij een rundveehouderij in de Australische ‘outback’. Ik vroeg aan de boer hoeveel (vlees)runderen per hectare hij hield, waarop hij hartelijke begon te lachen. ‘We denken hier eerder in hectare per koe’, reageerde hij. ‘De veedichtheid op mijn bedrijf is één koe per 25 hectare. Het bedrijf van die Australische veehouder zouden we op zijn Engels een ‘ranch’ noemen, ik weet er geen goed Nederlands woord voor. Een zeer extensieve vorm van veehouderij die weinig of geen inputs vraagt in de vorm van zaaizaad of kunstmest.

Het tegenovergestelde dus van onze veehouderij die in het Engels ‘animal husbandry’ wordt genoemd. Nederlandse rundveehouders richten zich op een optimale benutting van hun land, waarbij vier a vijf keer per jaar gras (ruwvoer) wordt geoogst. Voor een deel door te maaien, voor een deel ook door koeien te laten grazen. Naast ruwvoer, dat ongeveer driekwart van het menu uitmaakt, krijgen koeien ook krachtvoer. Voor een deel bestaat dat uit reststromen uit de voedingsmiddelenindustrie zoals bierbostel uit brouwerijen en stoomschillen uit de frietfabriek, voor een deel ook uit tarwe die niet geschikt is om er brood van te bakken. Door op die manier te boeren kun je rundvee ook in veel hogere dichtheden houden, gemiddeld 1,8 koeien per hectare, die gemiddeld 15.000 kilo melk per hectare produceren.

Een veelgehoord argument tegen verdere verhoging van de productiviteit is dat we nu al voldoende produceren om alle wereldburgers te voeden. Honger en ondervoeding zouden een kwestie van verdeling zijn. Onzekerheid over de vraag of je morgen voldoende te eten hebt voor jezelf en je kinderen, zou vooral te wijten zijn aan een gebrek aan koopkracht. Dat klopt, maar het is wel een kip-ei verhaal. Het gebrek aan koopkracht in lage- en middeninkomenslanden wordt vooral veroorzaakt doordat de landbouw als startmotor voor economische ontwikkeling sputtert, en daarmee dus ook de groei van de koopkracht van de bevolking. Zaken worden er ook niet beter op door het gebrek aan investeringen in de landbouw en de corruptie van machthebbers.

Overgewicht, de andere kant van de medaille

Los daarvan worden er wereldwijd vooral calorieen geproduceerd in de vorm van suiker, granen en vetten en te weinig aan groenten, fruit en eiwitten. Dat is niet alleen een probleem voor lage- en middeninkomenslanden, maar ook – en misschien wel vooral – voor hoge inkomenslanden. Onderzoekers van de Universiteit van Guelph in Canada hebben onlangs een poging gedaan om wereldwijde productie van de landbouw te vergelijken met de aanbevelingen voor een gezond eetpatroon. Daarbij zijn ze uitgegaan van de Harvard Healthy Eating Plate (HHEP), de Amerikaanse Schijf van Vijf. Die bestaat uit een bord (plate), dat voor de helft gevuld is met groenten en fruit, voor een kwart met volkorengranen en voor een kwart met eiwitten afkomstig van vis, (kippen-)vlees, bonen en noten.

De porties die een gemiddeld persoon volgens de HEPP-adviezen zou moeten eten om gezond te blijven, zijn vergeleken met de porties die door de landbouw worden geproduceerd. Daar zit natuurlijk een moeras aan aannames achter, maar het geeft wel een indicatie. Wat energie betreft produceert de landbouw meer dan 2750 kilocalorie per persoon per dag, ruimschoots voldoende om je buik rond te eten. Dat is overigens exclusief de verspilling van voedsel door de consument, circa een vijfde. Breng je die hoeveelheid in rekening dan is de beschikbaarheid circa 2200 kilocalorie per persoon, nog steeds voldoende.

Kijken we echter naar de voedingswaarde, dan ontstaat een heel ander beeld. In dat geval krijgt iedere wereldburger slechts een derde van wat hij nodig heeft aan groenten en fruit en ook maar twee derde van zijn eiwitbehoefte. Daar staat tegenover een overschot aan granen, oliën en vetten tegenover plus nog eens vier porties suiker, die geen enkele voedingswaarde hebben. Met de nodige slagen om de arm kun je dus vaststellen dat op wereldniveau het aanbod van agrarische producten niet aansluit bij wat experts zien als een gezond eetpatroon.

Evolutie en economie spannen samen

Het verschil tussen wat er feitelijk wordt geproduceerd en wat er eigenlijk geproduceerd zou moeten worden is wel verklaarbaar, zowel uit evolutionair als uit economisch oogpunt. Genetisch zijn we zo geprogrammeerd dat we een voorkeur hebben voor zoet, vet en zout. Koolhydraten, vooral snelle suikers geven een energiestoot waardoor we langer lopen of rennen, geen overbodige luxe voor onze verre voorouders die als jagers en verzamelaars hun kostje bij elkaar moesten scharrelen. Vet maakt het mogelijk om energie op te slaan voor slechte tijden en onze behoefte aan zout komt voort uit het feit dat we ooit overleefden op vis en schaaldieren.

Economisch is het verschil verklaarbaar doordat calorierijke gewassen zoals granen, knollen en oliehoudende gewassen na vrij minimale bewerking lang houdbaar zijn. Langer in ieder geval dan bederfelijke waar zoals groenten, fruit en vlees. In lage inkomenslanden als Malawi vormen ze daarom een verzekering tegen de honger in de periode tussen twee oogsten. De lange houdbaarheid heeft er ook voor gezorgd dat calorierijke landbouwproducten interessant zijn als grondstof voor de voedingsmiddelenindustrie.

Met name de mogelijkheid om ze op te slaan en over grote afstanden te transporteren heeft ertoe geleid dat de prijs ervan op de wereldmarkt wordt bepaald. Dat heeft een prijsdrukkend effect, waardoor (ultra)bewerkte producten op basis van granen, knollen en oliehoudende gewassen vaak goedkoper zijn dan verse producten. Die mondialisering van productstromen heeft er geleid tot vergaande concentratie van bedrijvigheid. Een viertal bedrijven (ADM, Bunge, Cargill en Dreyfus) controleert bijvoorbeeld de handel in agrarische grondstoffen en daarmee de prijsvorming. Bovendien kunnen multinationale voedingsbedrijven zoals Unilever en Nestle door hun omvang veel invloed uitoefenen op de politieke besluitvorming, bijvoorbeeld als het gaat om iets als een suikertaks of andere initiatieven die mensen over moeten halen om gezonder te eten.

De onevenwichtigheid in het aanbod heeft allerlei negatieve gevolgen. In lage inkomenslanden leidt het ontbreken van voldoende vitamines, mineralen en eiwitten in het menu tot achterblijvende ontwikkeling, zowel lichamelijk als geestelijk en zelfs tot sterfte van jonge kinderen. Jaarlijks worden er een kleine half miljoen kinderen blind door een tekort aan vitamine A en daarvan sterft de helft binnen een jaar. Ook in midden- en hoge inkomenslanden doen zich tekorten voor aan micronutriënten, vooral ijzer en zink. Een groter probleem van een calorierijk menu is echter de toename van overgewicht en obesitas. Voedselbedrijven en fast food eet- en snackgelegenheden spelen handig in op ons evolutionaire behoefte aan suikers, vet en zout en hebben zo een (te) verleidelijke voedselomgeving gecreëerd. Recent onderzoek laat zien dat 20 tot 25 procent van de wereldbevolking kampt met overgewicht, waarbij 40 procent ernstig overgewicht (obesitas) heeft.

Stel dat het tegen 2050 lukt om ieder van de dan tien miljard wereldburgers te voorzien van een gezond menu volgens de richtlijnen van de Harvard Healthy Eating Plate, de Amerikaanse Schijf van Vijf. Wat heeft dat voor gevolgen voor de landbouw en dan met name het grondgebruik. Ook daar hebben de onderzoekers van de Universiteit van Guelph aan gerekend. Het goede nieuws is dat het areaal akkerbouw netto vermindert met 39 miljoen hectare (-4%). In de nieuwe situatie zijn er namelijk minder hectares nodig voor de productie van graan, olie en suiker. Veel minder zelfs dan er aan extra oppervlak nodig is voor de teelt van groenten en fruit en eiwithoudende gewassen. Netto pakt het dus gunstig uit.

Het slechte nieuws is dat het areaal graasland fors toeneemt met bijna twee miljard hectare. Dat komt vooral doordat de onderzoekers die portie eiwit uit het HHHEP-menu hebben vertaald in 75 gram vlees. Als het aandeel dierlijk eiwit in het menu zou dalen tot 20 procent, dan is er ruim 50 miljoen hectare meer akkerland nodig dan nu, maar stijgt het areaal graasland met ‘slechts’ 200 miljoen in plaats van twee miljard hectare. Evenals de 600 miljoen hectare extra, zoals berekend door het World Resourcse Institute is ook dit getal natuurlijk niet veel meer dan een ‘educated guess’, een slag in de lucht, maar wel door mensen die ervoor hebben doorgeleerd.

Nog meer ruimte nodig

Naast voedsel produceert de landbouw ook grondstoffen, (bouw)materialen en brandstoffen. Katoen, wol en vlas voor de textielindustrie bijvoorbeeld, melasse (suikerstroop) voor de productie van onder meer antibiotica, hout voor de bouw en alcohol en andere koolwaterstoffen als brandstof. Voor het gemak rekenen we de bosbouw ook maar even tot de landbouw. Naar verwachting zal de behoefte aan biologische grondstoffen en bouwmaterialen de komende decennia gaan stijgen. De chemische industrie is bezig met een omslag van fossiele naar hernieuwbare grondstoffen. Daarbij gaat het al gauw om enorme hoeveelheden als je weet dat momenteel tussen de 15 en 20 procent van aardolie en aardgas als grondstof voor plastics en andere chemicaliën dient.

Ook de bouw zou meer bio-based moeten worden. Je zou bijvoorbeeld door staal en beton kunnen vervangen door hout. In 2022 werd een appartementencomplex in Amsterdam opgeleverd van 21 verdiepingen (73 meter), dat grotendeels bestaat uit hout. Het is niet de enige en ook niet de hoogste ‘plyscraper’, die grotendeels uit hout bestaat. In Noorwegen staat er een van 86 meter hoog en er zijn plannen voor woontorens van 300 (Londen) en 350 meter hoog (Tokyo).

Naast hout als constructiemateriaal levert de landbouw ook isolatiemateriaal, zoals pluis van lisdodden en wol van schapen, terwijl hennepvezels, gemengd met hars geschikt zouden zijn als plaatmateriaal, bijvoorbeeld voor gevelplaten. Overigens bracht de beroemde autobouwer Henry Ford al in 1941 een auto op de markt gemaakt van hennep en sojaplastic. Hennep- en vlasvezels kun je ook gebruiken als toeslagmateriaal in beton, waardoor je lichter kunt bouwen, evenals snelgroeiend olifantsgras. Vlas levert trouwens niet alleen vezels maar ook lijnzaad, dat vanouds werd geperst voor het maken van lijnolie, grondstof voor verf.

De groeiende behoefte aan grondstoffen en bouwmaterialen dreigt zich te vertalen in groeiend beslag op de ruimte. Het is lastig te zeggen hoeveel dat zal zijn. Wel weten we dat de snelgroeiende vraag naar bio-ethanol als brandstof een van de factoren was die bijdroeg aan de voedselcrisis van 2007 en 2008. Overigens naast de tegenvallende graanoogsten in Rusland en de rol van financiële instellingen, zoals index- en hedgefondsen die uit zijn op snelle winst en daarmee de gezapige rust op de termijnmarkten voor graan en andere grondstoffen verstoorden.

Effecten op de omgeving

Naast het beslag op de ruimte is de landbouw ook een bron van emissies. Inefficiënte benutting van meststoffen draagt bij aan de eutrofiering (vermesting) van de natuur door stikstof en fosfor. Door uitspoeling en afspoeling komen ze terecht in respectievelijk grond- en oppervlaktewater. Ammoniakdamp verspreidt zich door de lucht en draagt samen met onder meer uitlaatgassen van auto’s en vliegtuigen en uitstoot van bedrijven bij aan de ‘stikstofdeken’, die over Nederland en West-Europa ligt.

Wat klimaat betreft, speelt de landbouw een dubbelrol. Aan de ene kant nemen planten koolzuurgas (CO2) op uit de atmosfeer en zetten dat om in koolhydraten, eiwitten, oliën en een hele reeks andere stoffen waar we profijt van hebben. Aan de andere kant produceert de landbouw ook broeikasgassen. Naast CO2 zijn dat lachgas (N2O) en methaan (CH4). Als we de CO2-uitstoot van trekkers en andere landbouwvoertuigen buiten beschouwing laten, dan levert lachgas – omgerekend naar CO2-equivalenten – de grootste bijdrage (49%) aan de uitstoot van de landbouw. Lachgas ontstaat door een bacteriële omzetting van nitraat in kunstmest en dierlijke mest.

De op een grootste bron is methaan (44%). Voor een deel is die afkomstig van bacteriële omzettingen in de pens van de koe, waarbij het gas via boeren en scheten in de atmosfeer terecht komt. Een ander deel is afkomstig uit dierlijke mest. Daarnaast is ook de natte rijstteelt een belangrijke bron van methaan. De resterende CO2 (7%) vrij door verstoring van de bodem, met name door ploegen. Daardoor versnelt de afbraak van organisch materiaal zoals plantenresten die veel koolstof bevatten.

Volgens het eerdergenoemde rapport van het World Resources Institute zou de landbouw wereldwijd de uitstoot van broeikasgassen in 2050 met twee derde moeten verminderen om een ‘fair share’ te leveren aan de doelstelling om de temperatuurstijging te beperken tot 2oC. Om te voldoen aan het klimaatakkoord van Parijs, een temperatuurstijging van slechts 1,5 oC zou bovendien nog eens een kleine 600 miljoen hectare landbouwgrond moeten worden omgezet in bos.

Nogmaals, al die getallen moeten we met een korreltje zout nemen, omdat er een moeras aan aannames aan ten grondslag ligt. Duidelijk is echter wel de richting, waarin we (dreigen) te gaan: meer areaal voor landbouw. Dat blijft niet zonder gevolgen. Waar de menselijke soort en zijn habitats groeien in aantal en in voetafdruk, neemt het aantal andere soorten en natuurlijke ecosystemen juist af. Circa 60 procent van het landoppervlak en 40 procent van de oceanen staan onder min of meer forse druk van menselijke activiteiten. De 40 procent landoppervlak die betrekkelijk weinig druk ondervindt bestaat vooral uit toendra’s, woestijnen en hooggebergte. De grootste impact is juist daar waar de biodiversiteit het grootst is, in de tropen en in de subtropen.

Er zijn allerlei redenen om die trend te keren. Pragmatische redenen bijvoorbeeld omdat de natuur onze voorziet van zogeheten ecosysteemdiensten, variërend van kustbescherming (duinen, mangrovebossen), verbetering van de waterkwaliteit, waterberging, behoud van bodemvruchtbaarheid tot de productie van drinkwater, bouwmateriaal en voedsel en de enorme voorraad aan interessante eigenschappen van wilde planten en dieren voor plantenveredeling en fokkerij. Of de schoonheid van de natuur, sinds de prehistorie gevangen door schilders, zoals in de grotten van Lascaux en bezongen door dichters ook als een ecosysteemdienst moet beschouwen is discutabel. Wel is het zo dat ‘de natuur’ in zijn algemeenheid een positief effect op onze mentale gezondheid.

Je kunt er ook met een andere bril naar kijken. Bijvoorbeeld een morele en dan gaat het vooral om de plicht om soorten en ecosystemen te behouden en te versterken. Het gaat ook wel ergens over. Volgens een schatting van IPBES, het intergouvernementeel platform voor biodiversiteit en ecosysteemdiensten zou het gaan om een miljoen soorten planten en dieren die binnen nu en enkele decennia uit zullen sterven. Om dat in ieder geval voor een deel te voorkomen doet onder natuurbeschermers en ecologen doet het volgende sommetje de ronde: 30 x 30. Geen vermenigvuldiging, maar een ambitie, 30 procent van het landoppervlak zou in 2030 beschermd natuurgebied moeten zijn. Inmiddels heeft de overgrote meerderheid van de landen die ambitie onderschreven, ook Nederland.

Als we door onze oogharen proberen in de toekomst te kijken dan kun je op basis van het voorgaande stellen dat de landbouw wereldwijd voor de uitdaging staat om de productie fors te verhogen – misschien wel een verdubbeling – en tegelijkertijd de impact op de omgeving te verlagen. Daarbij gaat het zowel om het ruimtebeslag als om het effect van emissies uit de landbouw op milieu en klimaat. Hoewel de uitdagingen verschillen per land en zelfs per bedrijf is de richting waarin we de oplossing moeten zoeken duidelijk: verhogen van de opbrengst per hectare, per liter water, per kilo (kunst)mest en per gram bestrijdingsmiddel.

Een Staatscommissie voor den Landbouw

Wat de opbrengst per hectare betreft zijn we de naar meer opbrengsten per hectare weg al ingeslagen. Uit gegevens van de onvolprezen website ‘Our World in Data’ blijkt dat we enkele jaren na de eeuwwisseling het punt van ‘peak agricultural land’ zijn gepasseerd. Met andere woorden, na duizenden jaren groei van het landbouwareaal (en de bijbehorende uitroeiing van vele diersoorten) is er nu sprake van een lichte daling. Ondanks die knik in het landgebruik is de productie van voedsel en groene grondstoffen blijven stijgen.

Er zijn overigens wel wat kanttekeningen te maken bij die cijfers. De eerste is dat landgebruik mede is gedaald doordat de extensieve veehouderij (ranching) steeds vaker wordt vervangen door de meer intensieve ‘animal husbandry’. De tweede kanttekening is dat die daling zich lang niet overal voordoet, maar vooral in de meer welvarende landen. In ons eigen land bijvoorbeeld is het areaal sinds 1950 gekrompen van 2,5 naar 1,8 miljoen hectare. De vrijkomende ruimte is voor een deel gebruikt voor aanleg van nieuwe natuur, maar vooral voor de aanleg van woningen en bedrijfsterreinen. Met name in de tropen neemt het landgebruik voor landbouw juist toe, zoals we zagen. Dat geldt zowel voor akkers als voor graaslanden.

Nog genoeg werk aan de winkel dus, ook in Nederland. Het voordeel is dat we eerder met dit bijltje hebben gehakt. Anderhalve eeuw geleden verkeerde de landbouw in Nederland en Europa in een diepe crisis. In Amerika en Canada waren enorme gebieden ontgonnen voor de graanteelt en ontsloten door de spoorwegen. Via stoomschepen kwam het Amerikaanse graan in grote hoeveelheden naar Europa. In eerste instantie kelderde de tarweprijs, later ook de prijs van andere landbouwproducten. De veehouderij die in principe kon profiteren van de lage graanprijs kwam onder druk te staan door de invoer van diepgevroren vlees uit Amerika en de uitvinding van goedkopere margarine.

Verschillende landen in Europa reageerden verschillend op de import van het Amerikaanse graan. Groot-Brittannië bijvoorbeeld stelde de grenzen open ten koste van de vele kleine boeren, vooral pachters. De beruchte ‘Corn Laws’, importheffingen op granen werden afgeschaft, mede onder druk van industriëlen, die baat hadden bij goedkoop voedsel voor hun arbeiders. Na afschaffing van de Corn Laws halveerde de graanproductie in Groot-Brittannië. Economisch geschiedkundigen beschouwen het als de beslissende stap richting een vrijemarkteconomie, maar qua voedselproductie dreunt die nog door in onze tijd: Groot-Brittannië importeert ruim veertig procent van zijn voedsel.

Andere landen maakten een andere keuze. Terwijl Frankrijk en Duitsland kozen voor hoge tariefmuren om hun eigen, meest kleine boeren te beschermen, zette Nederland in op innovatie. In 1886 werd de Staatscommissie voor den Landbouw ingesteld met als taak om voorstellen te doen voor het stimuleren van de landbouw. Daarbij koos de commissie voor het versterken van het landbouwonderwijs, het opzetten van een voorlichtingsdienst en het oprichten van een aantal proefstations. De bekende driepoot van onderwijs, voorlichting en onderzoek die aan de basis heeft gestaan van de modernisering van de Nederlandse landbouw.

Die keuze van de Staatscommissie indertijd heeft Nederland geen windeieren gelegd. De Nederlandse landbouw geldt als een van de meest innovatieve ter wereld. Ook behoort het Nederland voedselsysteem tot de vijf meest duurzame in de wereld, zo bleek enkele jaren geleden uit een wereldwijde vergelijking op basis van ecologische, economische, sociale criteria. Zoals ik al in de inleiding vaststelde, schept dat verplichtingen. Noblesse oblige. We hoeven niet de hele wereld te voeden – dat kan niet eens. Maar we hebben volgens mij wel de morele plicht om de wereld te laten zien wat je met door kennis gedreven, ecologische modernisering kunt bereiken.

Opbrengstkloof dichten

Het mooie is dat er nog behoorlijk wat ruimte is voor het verhogen van opbrengsten en het minimaliseren van ruimtegebruik en emissies. De landbouw is gebaseerd op het vermogen van planten om zonlicht om te zetten in bladeren, wortels, stengels, kortweg in biomassa. Vergeleken met bijvoorbeeld zonnecellen, die zonlicht omzetten in elektriciteit, is die reactie – de fotosynthese – niet heel efficiënt. Afhankelijk van het soort gewas gaat het om 0,1 tot soms wel 8 procent bij algen. De meeste landbouwgewassen zitten rond de 1,5 procent.

Op basis daarvan kun je uitrekenen wat in theorie de maximale opbrengst is van dat gewas, gegeven de biofysische omgeving, dat wil zeggen de lichtintensiteit (zonnestraling), temperatuur en het CO2-gehalte in de atmosfeer. Bij een hoger CO2-gehalte produceren planten meer biomassa. Glastuinders weten dat al lang, het CO2-gehalte in kassen wordt vaak kunstmatig verdubbeld. Ook buiten de kas wordt steeds duidelijker dat een hoger CO2-gehalte ook meer biomassa oplevert.

De theoretische opbrengst is, nou ja … theoretisch. Meestal wordt gerekend met de potentiële ofwel maximaal haalbare opbrengst. Dat wil zeggen de opbrengst die je krijgt als het gewas kan beschikken over een ongelimiteerde hoeveelheid water en voedingsstoffen, met name stikstof, fosfor en kalium (NPK). En maximaal wordt beschermd tegen ziekten, plagen en onkruiden die concurreren met het gewas om licht, water en voedingsstoffen.

Die maximaal haalbare opbrengst is in de praktijk van alledag niet erg haalbaar. Voor een deel omdat de extra financiële kosten van bijvoorbeeld kunstmest of bestrijdingsmiddelen of van irrigatie hoger dan de opbrengsten in euro’s die de boer voor zijn product krijgt. Voor een deel omdat onbeperkte beschikbaarheid van voedingsstoffen en middelen voor gewasbescherming een negatief effect heeft op de omgeving.

De feitelijke opbrengst, de actual yield is dus nog een stuk lager dan de maximaal haalbare opbrengst. In de Lage Landen met hun zachte klimaat, goede bodemgesteldheid en ruime beschikbaarheid van meststoffen, lukt het boeren om zo’n 80 procent van de potentiële opbrengst te halen. In veel landen in Afrika blijven boeren steken op zo’n 20 procent en zelfs minder. De rest van de wereld zit daar zo’n beetje tussenin.

Wat er feitelijk beschikbaar is voor ons als consument is vaak nog minder. In lage en middeninkomenslanden verliezen boeren soms een derde of meer van hun oogst door insecten en knaagdieren of door bederf, de ‘post-harvest’ verliezen. In hoge inkomenslanden zoals het onze doen de verliezen zich vooral verderop in de keten voor, met name in de huishoudens. Die verliezen kunnen eveneens oplopen tot een derde van het totaal.

Gezien de soms forse verschillen tussen de maximaal haalbare opbrengst en wat er feitelijk beschikbaar is voor consumptie is er, zoals gezegd nog veel ruimte voor verbetering. Het goede nieuws is dat we die kloof een heel stuk kleiner en minder diep kunnen maken door het combineren van ecologische inzichten met moderne technieken. Zozeer zelfs, dat de Europese Unie in de toekomstige behoefte aan voedsel en grondstoffen kan voorzien met de helft van het huidige landbouwareaal. Met als bijkomend voordeel dat er minder impact is op het milieu en er meer ruimte beschikbaar komt voor wilde natuur en traditionele boerenlandschappen.

Beeld: De Aardappeleters, Vincent van Gogh, Kröller Muller, Wikimedia Commons