Discussie over intensieve landbouw te zwart wit

/, Landbouw/Discussie over intensieve landbouw te zwart wit

‘Hoe je het ook wendt of keert, als gevolg van de toename van de wereldbevolking en de welvaart zullen we de voedselproductie tussen nu en 2050 moeten verdubbelen. Om te voorkomen dat we ook twee keer zoveel grond gebruiken, zullen we ons voedsel dus veel efficiënter moeten produceren’.

 

Aldus Jason Clay (1951), senior vice president markten van het overkoepelende World Wild Life Fund. Begin deze week hield hij een toespraak bij de opening van het Academisch Jaar van de Wageningen Universiteit. Waarschijnlijk niet helemaal toevallig, omdat bestuursvoorzitter Aalt Dijkhuizen, die overigens tegelijkertijd zijn afscheid aankondigde, begin dit jaar een omstreden pleidooi hield voor intensiveren van de landbouw.

 

 

Teveel ideologie

Volgens Clay is er te veel ideologie geslopen in het debat in het debat over de toekomstige voedselvoorziening. ‘Aan de ene kant baart het me zorgen dat veel mensen in de geïndustrialiseerde landen het kleine boerenbestaan verheerlijken en daarmee impliciet de armoede bestendigen. Het is essentieel dat boeren wereldwijd de kans krijgen om hun levensomstandigheden te verbeteren. Dat hoeft niet perse door boer te blijven. Zelf ben ik opgegroeid op een kleine ‘farm’ in Missouri en kon aan de armoede ontsnappen door te gaan studeren. Ik zal het kleine boerenbestaan dus zeker niet idealiseren.’

 

Aan de andere kant betekent intensiveren voor veel mensen nog steeds het maximaliseren van de opbrengst. ‘Tamelijk kortzichtig’, vindt Clay. ‘Waar het om gaat, is het verhogen van het netto rendement.  Dat wil zeggen het verbeteren van de productiviteit per liter water die je gebruikt, per kilo stikstof die je toedient en per hoeveelheid broeikasgassen die je uitstoot. Als je alleen uit bent op maximaliseren van de opbrengst leidt intensivering vaak tot een grotere  milieubelasting en verder verlies aan biodiversiteit.’

 

Demoniseren

Over de Nederlandse situatie wil hij niet meer zeggen dan dat het volgens hem niet zo efficiënt is om intensieve bedrijven nog intensiever te maken. ‘Als je echt een stap vooruit wil maken, moet je zorgen dat de slecht producerende bedrijven efficiënter worden dor hun rendement te verhogen en hun impact te verkleinen. Dat hoeft niet perse via schaalvergroting. De optimale plantafstand bijvoorbeeld is een kwestie van meten en ‘mulchen’ (het aanbrengen van een bodembedekkende laag) kan ook in een moestuin. Maar nogmaals, je moet schaalvergroting niet demoniseren, want ook grote bedrijven kunnen efficiënt opereren.’

 

Het World Wildlife Fund werkt al enige tijd samen met andere partijen, waaronder grote bedrijven als Unilever, Monsanto en Mars, aan het duurzamer maken van de voedselketen. Daarbij wordt niet alleen gekeken naar het milieu, maar ook naar sociale en economische omstandigheden.

Clay: ‘Het grootste deel van de voetafdruk van de landbouw wordt veroorzaakt door de teelt en verwerking van niet meer dan vijftien agrarische grondstoffen, ‘commodities’ in het jargon. Als je dat deel van de voetafdruk weet te verkleinen, heb je al heel wat gewonnen. Tijdens ons onderzoek bleek bovendien dat er wereldwijd nog geen honderd ondernemingen zijn die een sleutelrol spelen in de handel en verwerking van die grondstoffen. Als je die in beweging krijgt, kun je echt wat veranderen.’

 

Greenwashing

Voortbordurend op het eerdere succes van de Forest Stewardship Council (hout) en de Marine Stewardship Council (visserij) besloot WWF om per grondstof bedrijven en maatschappelijke organisaties bij elkaar te brengen voor het ontwikkelen van criteria voor duurzame handel. Inmiddels zijn er, met financiële steun van de Nederlandse overheid, diverse ‘Ronde Tafels’ in het leven geroepen, onder andere voor soja, palmolie, suikerriet, cacao en thee. Via certificaten wordt aangegeven dat het betreffende product op een duurzame manier is geproduceerd.

 

Vanuit de meer radicale delen van de milieu- en derde wereldbeweging is er veel kritiek op het internationale WWF. Zij menen dat de organisatie zich laat gebruiken voor ‘greenwashing’ van kwalijke praktijken van de agribusiness en dan met name het stimuleren van de industriële landbouw. Clay vindt dat een typisch voorbeeld van zwart-wit denken: grootschalig is slecht en kleinschalig is goed. ‘Zo simpel is het niet. Vaak zijn het de kleine boeren die de grootste schade aanrichten, omdat ze niet efficiënt kunnen werken. Dat is geen pleidooi voor grootschaligheid, maar een pleidooi voor duurzaam produceren op grote en op kleine schaal.’

 

Wereldhandel 

Kritiek is er ook op het feit dat de betrokkenheid van multinationals de wereldwijde handel in landbouwproducten stimuleert. Maar volgens Clay is dat alleen maar gunstig uit oogpunt van duurzaamheid. ‘Handel zorgt ervoor dat producten daar worden geproduceerd waar dat het meest efficiënt kan. Het is niet slim om bananen of koffie in Nederland te produceren. Zelfs bij tomaten kun je je twijfels hebben, maar (lachend) ‘don’t quote me on that’. Het is niet zo dat lokaal geproduceerd voedsel per definitie beter is dan voedsel dat van ver komt. Uit berekeningen blijkt dat de manier waarop landbouwgewassen worden geproduceerd doorslaggevend is en niet waar ze worden geproduceerd.’

 

Prestaties

De criteria zouden bovendien te vaag en te vrijblijvend zijn, menen de critici. Volgens Clay is dat een bewuste keuze: ‘Als het gaat om normen voor een keurmerk of certificaat kun je kiezen voor het vastleggen van een ‘beste praktijk’. Dat zie je bijvoorbeeld in de biologische landbouw, waar strikte voorschriften zijn hoe je moet produceren. Voor de Ronde Tafels kiezen we voor normen die zich richten op verbeteren van de prestaties. Enerzijds omdat er niet een ‘best praktijk’ is die overal ter wereld voldoet. Daarvoor zijn de ecologische, economische en sociale verschillen tussen boeren te groot. Anderzijds omdat een prestatiegerichte norm innovatie stimuleert; je prikkelt mensen om op een slimmere manier bepaalde doelen te halen.’

 

Tot slot merkt Clay op dat het debat over de toekomstige voedselvoorziening in zijn ogen vooral gestoeld moet zijn op feiten en argumenten. ‘Dat wil niet zeggen dat we moeten streven naar consensus, want zelfs op basis van feiten kun je van mening verschillen. Maar ik vrees dat het nu de andere kant op gaat. Het debat is de laatste twintig jaar steeds meer gepolitiseerd, maar daar is helaas niemand bij gebaat.’

 

 

 BOSBOUW NEDERLAND

Recent bleek dat de Nederlandse bosbouwers moeite hebben met de criteria voor duurzaam geproduceerd hout, zoals vastgelegd door de FSC. De administratieve rompslomp weegt volgens hen niet op tegen de meerprijs die ze in de markt krijgen. Bovendien krijgen ze het gevoel dat ze het alleen maar ‘fout’ kunnen doen. Clay kan zich daarbij wel iets voorstellen, omdat de FSC-criteria zijn ontwikkeld in de periode dat men nog uitging van de beste praktijk in plaats van de beste prestatie. Wat de meerwaarde van certificatie betreft zegt hij dat die niet zozeer schuilt in een hogere prijs als wel in lagere kosten door efficiënter werken en andere voordelen zoals een lagere rente bij de bank en betere relaties met afnemers. ‘Die voordelen moeten we beter over het voetlicht brengen’, zegt hij.

 

Verschenen in Trouw, 10 september 2013

 

By |2014-07-07T12:35:24+00:00september 11, 2013|