Een kleine geschiedenis

 

Twintig jaar geleden, op 26 september 1991, stapten acht bionauten welgemoed Biosphere 2 (letterlijk Biobol) in: Een enorme kas die voor de komende twee jaar hun ‘aarde’ zou zijn.

 

Naast acht mensen bevatte de kas honderden soorten planten, dieren en micro-organismen, gegroepeerd in vijf nagebootste ecosystemen: een moeras, een savanne, een woestijn, een tropisch regenwoud en zelfs een oceaan.

 

Tezamen moesten die ecosystemen er voor zorgen dat de bionauten voldoende zuurstof, voedsel en water hadden en dat hun afvalstoffen werden opgeruimd. Het enige dat van buitenaf werd aangevoerd was zonlicht.

 

Twee jaar later verlieten de bionauten hun ‘aarde’ heel wat minder welgemoed dan ze erin waren gegaan. Ze hadden heel wat ontberingen moeten doorstaan.

Het zuurstofgehalte in de atmosfeer was flink gedaald en het gehalte aan kooldioxide was sterk gestegen. De oogsten waren veel schraler dan gepland door ziekten en plagen (kakkerlakken). Ook  was er  een groot aantal soorten  uitgestorven en stonden de ecosystemen op instorten.

 

De draagkracht van Biosphere 2 (Biosphere 1 is de aarde) was, ondanks de aanwezigheid van bijna 5000 nauwkeurig geselecteerde planten en dieren, blijkbaar niet voldoende om acht mensen in leven te houden.

 

Pas achteraf bleek waarom Biosphere 2 gedoemd was om te falen. De onderzoekers hadden nauwkeurig vastgesteld hoeveel planten, dieren en micro-organismen van elke soort nodig waren om een functionerend ecosysteem te bouwen. Dat was niet voldoende.

 

Om de verschillende functies te bieden die nodig zijn om acht mensen te laten leven, zijn veel meer soorten nodig. Uit later onderzoek is gebleken dat de draagkracht van een ecosysteem en zijn veerkracht van de diversiteit binnen het systeem. Dat wil zeggen: de variatie binnen een soort, het aantal soorten en het aantal ecosystemen.

 

 

Slordige omgang

 

De mens gaat nogal slordig om met die ene Biosphere die hij tot zijn beschikking heeft. Al sinds prehistorische tijden leveren we onze bijdrage aan het uitsterven van soorten.

 

Mede onder invloed van de jacht verdween de mammoet twaalfduizend jaar geleden van de aardbodem.

 

De uitvinding van de landbouw in Mesopotamie (het huidige Irak), leidde – mede als gevolg van de snelle bevolkingsgroei – tienduizend jaar geleden al tot ontbossing en erosie rond de Middellandse Zee.

 

Dankzij de ratten en katten die de Maori meebrachten werd het aantal loopvogels in Nieuw Zeeland vanaf de elfde eeuw gedecimeerd.

 

Een paar eeuwen later liet de laatste dodo op Mauritius het leven, met dank aan Nederlandse zeelieden die het eiland zijn naam gaven.

 

 

Stroomversnelling

 

Sinds halverwege de negentiende eeuw is het verlies aan biodiversiteit in een stroomversnelling gekomen. De industriële revolutie leidde tot meer welvaart, een langer leven en een snelle groei van de bevolking.

 

Dat soorten uitsterven en ecosystemen verdwijnen is onvermijdelijk, maar het tempo waarin dat heden ten dage gebeurt is ongekend. Het tempo waarin soorten verdwijnen ligt 100 tot 1000 keer boven het natuurlijke tempo (plaatje Butchart – Science april 2010).

 

Het verlies aan biodiversiteit vertaalt zich ook in het afnemen van draagkracht en veerkracht van ecosystemen. Waar specifieke, vaak zeldzame soorten verdwijnen, nemen andere veel voorkomende soorten hun plaats in.

 

Ecosystemen gaan geleidelijk meer op elkaar lijken, een ontwikkeling die wel wordt omschreven als McDonaldisering van de natuur: Miljoenen exemplaren, maar slechts een handvol soorten.

 

 

Omvang onbekend

 

Hoe groot het verlies aan biodiversiteit is, is moeilijk te zeggen. Om te beginnen weten we niet wat de beginsituatie is. Hoeveel soorten en ecosystemen waren er voordat de mens zijn invloed deed gelden?

 

We weten ook niet wat de huidige situatie is. Hoeveel soorten zijn er eigenlijk? Dertig miljoen? Vijftig miljoen? Tweehonderd miljoen? En hoeveel soorten zijn er nodig om een ecosysteem te laten functioneren?

 

Hoe meer, hoe beter blijkt uit experimenten, maar de ene soort is belangrijker voor het draagvlak van een ecosysteem dan de andere. Omdat we niet weten welke soorten belangrijker zijn, kunnen we, uit oogpunt van risicovermindering, het beste maar zoveel mogelijk soorten en ecosystemen in stand houden: Diversiteit als doel.

 

 

Mean species abundance

 

In plaats van het tellen van soorten wordt tegenwoordig vaak gebruik gemaakt van het begrip ‘mean species abundance’ of MSA. Daarin wordt niet alleen het aantal soorten meegenomen, maar ook de aantallen per soort en is een maat voor de ongereptheid van een gebied.

 

Een MSA van 100 procent betekent dat het gebied ongerept is, dat wil zeggen dat de invloed van de mens niet waarneembaar is. Een MSA van 0 procent dat er geen enkel ongerept stukje natuur meer is.

 

Zoals op alle schattingen, valt ook op de MSA het nodige af te dingen. Zo weten we bijvoorbeeld niet hoe Nederland er zesduizend jaar geleden uitzag. Bestond ons land uit dichte moerasbossen? Of was het juist een parkachtig landschap met grote open vlakten, zoals de Oostvaardersplassen?

 

Een ander punt van kritiek is dat de MSA kan zijn verminderd, terwijl het aantal soorten is toegenomen. Zo was de MSA van Nederland in 1900 nog 90 procent en nu nog maar 15 procent, terwijl het vrij zeker is dat Nederland nu meer soorten telt dan 100 jaar geleden. (Plaatje fig. 3.1 PBL rapport).

 

Ondanks die kanttekeningen moeten we vaststellen dat de Mean Species Abundance in Nederland met 15 procent dramatisch laag is, zeker in vergelijking met andere landen. Internationaal gezien past ons dus enige bescheidenheid.

 

 

Morrelen aan ‘life support’-systemen

 

Hoe het ook zij, het is duidelijk dat de natuurlijke variatie afneemt bij elke maatstaf die je gebruikt. Het voorbeeld van Biosphere 2 heeft laten zien dat dat niet oneindig door kan gaan, op straffe van verlies van draagkracht en veerkracht van ecosystemen.

 

Als we de aarde vergelijken met een ruimteschip, dan zou je kunnen zeggen dat we de laatste anderhalve eeuw zitten morrelen aan de ‘life support’-systemen van dat ruimteschip. Dat is niet zo verstandig, want als die systemen niet goed meer functioneren, krijgen we problemen met de productie van voedsel en materialen en met de verwerking van afvalstoffen.

 

De eerste tekenen van het minder goed functioneren van die ‘life support’-systemen zijn al zichtbaar:

 

Visserij: Aan de ene kant hebben we te maken met overbevissing, waardoor een aantal commerciële soorten zich niet meer kan herstellen. Dat vertaalt zich en kleinere aantallen en in kleinere vissen. Aan de andere kant hebben we te maken met vervuiling van kustwateren (inclusief koralen) en afsluiting van zeearmen en rivieren, waardoor de veerkracht van ecosystemen in zee afneemt.

 

Overstromingen:  Ogenschijnlijk wordt het toenemende geweld van overstromingen vooral veroorzaakt door verandering van klimaat waardoor stortbuien toenemen in aantal en kracht. Belangrijke oorzaken zijn echter ook ontbossing en de toename van het verharde oppervlak in de bovenloop van rivieren en het verdwijnen van mangrovebossen voor de kust. Deze ecosystemen hebben een dempende invloed op de effecten van stormen en zware regenval.

 

Op de langere termijn blijven de gevolgen van het minder goed functioneren van de ‘life support’- systemen van Biosphere 1 niet beperkt tot afnemende visvangsten en zwaardere overstromingen.

 

Landbouw: Opbrengsten in de landbouw zijn sterk afhankelijk van het functioneren van die ‘life support’-systemen. Aantasting ervan brengt niet alleen de voedselvoorziening in gevaar, maar ook de productie van textiel (katoen, linnen), van bouwmaterialen (hout) en van ‘groene’ grondstoffen voor de industrie.

 

Afvalverwijdering: ‘Life support’-systemen spelen een essentiële rol bij het omzetten van afvalstoffen, waarmee ze een forse bijdrage leveren aan de zuivering van lucht, water en bodem.

 

Een opvallend voorbeeld is de snelheid waarmee micro-organismen in zee de miljoenen liters olie afbreken die zijn vrijgekomen bij het ongeval met het platform Deep Water Horizon in de Golf van Mexico in 2010. Ook bij de zuivering van huishoudelijk afvalwater wordt vanouds gebruik gemaakt van het reinigend vermogen van waterige ecosystemen.

 

 

Zesde golf

 

De vraag is waarom biodiversiteit, de natuurlijke variatie blijft afnemen. Er zijn eerder in de geschiedenis van de aarde grote golven van uitsterven geweest. Richard Leaky en Roger Lewin onderscheiden er vijf sinds het ontstaan van leven op aarde, zo’n 3,5 miljard jaar geleden.

 

Die eerdere grote uitstervingsgolven hadden natuurlijke oorzaken, zoals inslagen van grote meteorieten, vulkanische activiteit en plotselinge klimaatveranderingen.

 

In tegenstelling tot de eerste vijf wordt de ‘The Sixth Extinction’, zoals het boek van Leaky en Lewin is getiteld, veroorzaakt door menselijk handelen en dan vooral zijn handelen sinds het begin van de Industriële Revolutie.

 

Tot ruim honderd jaar geleden viel het verlies aan biodiversiteit wel mee. Weliswaar verdwenen de mammoet, het oerrund en de dodo door toedoen van de mens, maar de ‘schade’ bleef beperkt.

 

 

Stijgende arbeidsproductiviteit

 

Met de opkomst van de Industriële Revolutie verandert Homo sapiens. In plaats van dat het leven hem overkomt, krijgt hij de beschikking over kennis en gereedschappen om de wereld naar zijn hand te zetten. De kindersterfte neemt af en de levensverwachting neemt toe.

 

De bevolking stijgt snel in aantal. Ruim een eeuw geleden telde de wereld circa 1,5 miljard mensen. Nu zijn er dat 7 miljard en in 2050 zouden dat er – volgens schattingen van de Verenigde Naties – 9 miljard kunnen zijn. Of 10 miljard.

 

Technologische vooruitgang zorgt ook voor een versnelling in de groei van de arbeidsproductiviteit. Vanaf het begin van de twintigste eeuw wordt die groei vertaald in meer welvaart voor steeds bredere lagen van de bevolking in Europa, Noord-Amerika en Japan.

 

In onze tijd zien we hoe de stijging van de arbeidsproductiviteit en de daaropvolgende welvaartsgolf ook andere regio’s aandoet, zoals Brazilië, Rusland, China en India. Zelfs Afrika, lang beschouwd als het ‘verloren continent’, maakt zich op voor een grote sprong voorwaarts.

 

 

Crises

 

Vreugde over de groeiende welvaart voor steeds meer mensen gaat gepaard met groeiende zorgen over het draagvermogen van de aarde. In de media wordt dat vaak vertaald in termen van meerdere crises:

 

  • de voedselcrisis als gevolg van sterk stijgende prijzen van landbouwproducten;
  • de energie- annex klimaatcrisis door dreigende tekorten aan (fossiele) brandstoffen en een stijgend CO2-gehalte in de atmosfeer;
  • de grondstoffencrisis, als gevolg van groeiende schaarste aan fossiele en biologische grondstoffen en
  • de ecologische crisis door verlies aan soorten en verzwakking van ecosystemen.

 

Die verschillende crises zijn onderling met elkaar verweven. Ontrafelen ervan begint met de constatering dat de wereldbevolking de komende jaren stijgt van bijna 7 naar 9 miljard mensen. Die groei doet zich vooral voor in ontwikkelingslanden en opkomende industrielanden.

 

In de laatstgenoemde categorie landen groeit bovendien de welvaart door steeds hogere arbeidsproductiviteit, dankzij technologische ontwikkeling en investeringen in onderwijs en infrastructuur.

 

In veel landen  ontstaat daardoor een opkomende middenklasse, die meer inkomsten heeft dan nodig om in hun basisbehoeften te voorzien. Bevolkings- en welvaartsgroei leiden tot een stijgende behoefte aan voedsel, energie en materialen.

 

Om in die behoeften te voorzien, wordt een steeds groter beslag gelegd op zowel fossiele als biologische grondstoffen en op de beschikbare ruimte. Inefficiënt gebruik van grondstoffen leidt bovendien tot erosie en vervuiling van lucht, water en bodem.

 

 

Impact op biodiversiteit

 

Op verschillende manieren beïnvloedt groeiende welvaart de biodiversiteit. Een paar voorbeelden:

 

Om in de behoefte aan voedsel te voorzien moet de landbouwproductie stijgen. Volgens de FAO met ruim 70 procent in de komende veertig jaar. In principe kan die stijging opgevangen worden binnen het huidige areaal, maar in de praktijk is de kans groot dat het areaal wordt uitgebreid ten koste van de natuur.

 

Om in de behoefte aan energie en materialen te voorzien worden steeds meer laagwaardige en/of moeilijk te ontginnen voorkomens aangesproken. Winning ervan leidt tot meer dan evenredige aantasting van (meest natuur-)gebieden door dagbouw en ‘tailings’ (resten).

 

Met het schaarser worden van fossiele brandstoffen en grondstoffen wordt substitutie door ‘groene grondstoffen’ economisch aantrekkelijker. Die ontwikkeling wordt gestimuleerd door zorgen over de klimaateffecten van CO2. De teelt van groene grondstoffen concurreert echter met voedselproductie en bedreigt de biodiversiteit.

 

Groeiende welvaart leidt tot een groeiend beslag op de ruimte in de vorm van woningen, bedrijfsgebouwen en kantoren en infrastructuur (wegen, spoorwegen, kanalen, vliegvelden). Verstedelijking gebeurt vooral in vruchtbare, maar ook kwetsbare deltagebieden of uiterwaarden van grote rivieren.

 

Een voorbeeld is de ontwikkeling van Ho Chi Minh City (voorheen Saigon). De stad groeit zo snel dat de aanleg van infrastructuur – waaronder riolering – achterblijft. Bijgevolg staan delen van de stad drie keer maand onder water. Bemaling zorgt voor bodemdaling waardoor het risico van overstromingen toeneemt. Stadsuitbreiding gaat ten koste van vruchtbare landbouwgrond in de Mekong-delta. Om de stad van voedsel te blijven voorzien schuift de landbouw steeds verder op ten koste van natuur en biodiversiteit.

Kwadratuur van de cirkel

 

Het lijkt de kwadratuur van de cirkel. Aan de ene kant is het positief dat steeds grotere delen van de wereldbevolking ontsnappen aan de armoede en mee gaan delen in de welvaart. Aan de andere kant leidt een groeiende en steeds welvarender wereldbevolking tot een te grote aanslag op het biologisch kapitaal en daarmee tot aantasting van de life support systemen van Ruimteschip Aarde.

 

Om die dubbele uitdaging tegemoet te treden heeft de Task Force Biodiversiteit en Natuurlijke Hulpbronnen een visie ontwikkeld voor de lange termijn. Uiteindelijk doel is een wereld, waarin alle mensen voldoende mogelijkheden hebben om in hun behoeften te voorzien, zonder verdere aantasting van ons biologisch kapitaal. In 2050 moet de neergaande trend in biodiversiteit zijn omgebogen.

 

 

Oplossingsrichtingen

 

Voor het realiseren van die ambitie gaat de Task Force uit van drie oplossingsrichtingen, gebaseerd op de Millennium Ecosystem Assessment van 2005:

 

  1. Behoud, herstel en bescherming van ecosystemen, soorten en genetische bronnen door gebiedsbescherming en genenbanken. Wereldwijd zijn er ongeveer 1300 genenbanken die circa zes miljoen wilde en gedomesticeerde soorten bevatten.
  2. Wegnemen van directe oorzaken van biodiversiteitsverlies, zoals tegengaan van overbevissing en verhoging van de productiviteit in de landbouw door ecologische modernisering.   [Ecologische modernisering is het verhogen van de opbrengst per hectare, per kuub water, per kilo (kunst-)mest en per gram bestrijdingsmiddel door zoveel mogelijk gebruik te maken van ecologische kennis. Voorbeelden zijn: geïntegreerde bestrijding van ziekten en plagen door inzetten van biologische vijanden, vruchtwisseling en in het uiterste geval synthetische middelen en verbeteren van de bodemvruchtbaarheid door nauwkeurig beheer van het bodemleven.]
  3. Het gebruik van economische instrumenten voor behoud en verbetering van biodiversiteit.

 

 

Beleidsmatige vertaling

 

Voor Nederlandse  situatie vertalen de oplossingsrichtingen zich onder meer in:

Een rationeel ruimtelijk beleid met een internationaal verbonden Ecologische Hoofdstructuur, die door bufferzones van multifunctionele landbouw (zorg, recreatie, landschapsbeheer) gescheiden is van hoogproductieve landbouwgebieden;

 

Een landbouwbeleid gericht op ecologische modernisering, waarbij grond en hulpbronnen zo efficiënt mogelijk worden benut en omgevingsverliezen naar nul tenderen. Als vooraanstaande landbouwnatie is Nederland het bovendien aan zijn stand verplicht kennis, methoden en technieken voor ecologische modernisering wereldwijd te verspreiden.

 

Een ondernemingsbeleid waarbij bedrijven, overheden en maatschappelijke gezamenlijk trajecten ontwikkelen en uitzetten om het biologisch kapitaal te behouden, zowel in Nederland als elders. Onder meer door het in kaart brengen van de voetafdruk van productieketens; het voorkomen en in ieder geval compenseren van schade aan ecosystemen en te betalen voor ecosysteemdiensten.

 

 

Ecosysteemdiensten

 

In zijn adviezen legt de Task Force sterk de nadruk op het integreren van biologische kapitaal in de geldeconomie. Het idee is niet nieuw. Wel is het sinds de eeuwwisseling in een stroomversnelling geraakt door het concept ‘ecosysteemdiensten’.

 

In 1997 verscheen het boek ‘Nature’s Services: Societal Dependence on Natural Ecosystems’, onder redactie van Gretchen Daily, tegenwoordig adviseur van president Obama.

 

In datzelfde jaar werd een artikel gepubliceerd in Nature waarin de economische waarde van 17 belangrijke ecosystemen werd geschat op 33 biljoen dollar per jaar. Dat is bijna drie keer de Amerikaanse staatsschuld.

 

In 2005 werd het concept ecosysteemdiensten gebruikt in de Millennium Ecosystem Assessment. Deze ‘toets’, opgesteld door een groot aantal experts, laat zien dat meer dan de helft van de ecosysteemdiensten wordt gebruikt op een manier die niet duurzaam is. We teren in op ons biologisch kapitaal.

 

De Millennium Ecosystem Assessment vormde op zijn beurt de inspiratie voor het TEEB-project, een afkorting die staat voor The Economics of Ecosystems & Biodiversity. Het ‘syntheserapport’ is vorig jaar oktober gepubliceerd.

 

 

Behoud biologisch kapitaal

 

Het idee achter het concept ecosysteemdiensten is om vast te stellen wat het economisch belang van biodiversiteit is voor onze welvaart. Op basis daarvan zou je een eerlijke prijs toe moeten kennen aan de diensten die worden geleverd.

 

De prijs voor ecosysteemdiensten moet zodanig zijn dat ze tot in lengte van jaren geleverd kunnen worden. Met andere woorden zo hoog, dat het biologisch kapitaal van waaruit de dienstverlening plaatsvindt in stand blijft en liefst nog wat groter wordt.

 

Als je er over nadenkit zijn er legio ecosysteemdiensten waarvoor je een prijs kunt vragen:

 

  • Drinkwaterbedrijven hebben belang bij een schone grondstof, want dat scheelt in de zuiveringskosten;
  • Farmaceutische bedrijven hebben belang bij tropische planten, omdat de stoffen die planten maken of de grondstof zij of de inspiratiebron voor nieuwe medicijnen;
  • Veredelingsbedrijven hebben belang bij natuurlijke variatie, omdat de genenvijver hen voorziet van nuttige eigenschappen voor gewassen, zoals resistentie tegen ziekten;
  • Chemische bedrijven hebben belang bij micro-organismen, omdat die de ‘biological pathways’ bevatten, waarmee ze hun processen sneller en gemakkelijker laten verlopen;
  • Boeren hebben belang bij bodemorganismen, omdat ze zorgen voor vruchtbare grond voor hun gewassen;
  • Boeren hebben ook belang bij hommels en bijen voor bestuiving en bij andere insecten voor biologische bestrijding;
  • Energieverbruikers hebben belang bij bossen, waarin de overmaat aan CO2 wordt vastgelegd.

 

 

Betalen voor ecologische dienstverlening

 

Ecosysteemdiensten hebben een economische waarde. Er zijn verschillende manieren om die daadwerkelijk te gelde te maken. Een voorbeeld is het REDD-mechanisme, een afkorting die staat voor ‘Reducing Emission from Deforestation and Forest Degradation. Kortweg komt het erop neer dat bedrijven CO2-rechten kunnen verdienen als ze betalen voor het in stand houden van bossen.

 

Andere mogelijke mechanismen zijn:

  • bijdragen in aankoop en beheer van natuurgebieden via de toeristenbelasting;
  • verkoop van vlees uit natuurgebieden (voorbeeld Gelderse Poort);
  • opcenten op de OZB, onroerend zaakbelasting, voor woningen in of bij een   natuurgebied;
  • betalen voor het voorrecht om in een natuurgebied te mogen golfen of begraven te worden.

 

 

Regelgeving

 

Deze en andere mechanismen werken alleen maar als er regelgeving is, die ervoor zorgt dat behoud van biologisch kapitaal veel zwaarder meeweegt in de beslissingen van economische actoren.

 

De afgelopen jaren zijn al diverse stappen in die richting gezet. Zonder verhandelbare CO2-rechten bijvoorbeeld zou een mechanisme als REDD altijd een toekomstfantasie zijn gebleven. En zonder duurzaam inkoopbeleid zou hout met het FSC-keurmerk waarschijnlijk nog lang een marginaal product zijn gebleven.

 

Bij regelgeving gericht op het behoud van biodiversiteit gaat het niet om louter ge- en verboden. De kunst is om de regels zodanig te maken dat ze bedrijven uitdagen om te investeren in duurzame ontwikkeling.

 

Een voorbeeld is het MSC-keurmerk voor duurzaam gevangen vis. Het is indertijd op poten gezet  het Wereldnatuurfonds in samenwerking met Unilever.

 

Mede door het succes van het keurmerk heeft laatstgenoemd bedrijf besloten om vanaf 2020 alleen nog maar duurzaam geproduceerde grondstoffen te gebruiken. Waarbij ‘duurzaam’ ook inhoudt dat het biologisch kapitaal wordt gespaard.

 

Criteria voor duurzaamheid blijven overigens niet beperkt tot voedsel en groene grondstoffen. Vorig jaar ontbrandde een discussie over ‘foute’ steenkool uit Columbia. Als gevolg daarvan is een traject gestart waarbij overheid, maatschappelijke organisaties en elektriciteitsbedrijven criteria opstellen voor duurzaam gewonnen steenkool.

 

 

Rol van de overheid

 

De overheid kan dit type ontwikkelingen stimuleren. Bijvoorbeeld door het hanteren van een bonus/malus systeem voor producten, die beter zijn voor People en Planet, via belastingvoordelen en/of subsidies.

 

Een andere mogelijkheid is het beïnvloeden van investeringsbeslissingen van bedrijven, instellingen en overheden via de discontovoet, het rentepercentage dat wordt gebruikt om vast te stellen of de toekomstige baten opwegen tegen de kosten van een investering die je wil doen.

 

Stel dat de schade als gevolg van het verlies aan biodiversiteit 100 miljard euro is in 2100. Bij een discontovoet van 5 procent is dat 1,2 miljard euro nu. Verlagen we de discontovoet naar 1 procent, dan is de huidige waarde van de toekomstige schade ruim 40 miljard euro. Waar nu een boom pas waarde krijgt als hij is gekapt, krijgt hij door te spelen met de discontovoet al waarde terwijl hij nog leeft.

 

Het bepalen van de discontovoet is een politiek-ethische keuze, waarbij we onszelf de vraag moeten stellen hoe belangrijk wij het behoud van het biologisch kapitaal vinden voor toekomstige generaties.

 

‘No nett loss’  is een andere mogelijkheid om investeringsbeslissingen te beïnvloeden. Het principe werd voor het eerst toegepast in 1989 door President Bush Sr. voor het beschermen van het areaal aan wetlands.

 

In Nederland heeft ‘no nett loss’ gestalte gekregen in het systeem van natuurcompensatie. Daarbij moet de aanleg van een weg, bedrijventerrein of andere vorm van infrastructuur worden gecompenseerd door de aanleg van nieuwe natuur elders.

 

Bij natuurcompensatie gaat het om hectares voor hectares. Een stap verder is het toepassen van het ‘no nett loss’-principe door het verlies aan biologisch kapitaal te compenseren.

 

Op mondiale schaal zou Nederlandse overheid zijn invloed aan kunnen wenden bij de Wereldhandelsorganisatie om mechanismen te ontwikkelen voor het behoud van het biologische kapitaal.

 

Een mogelijkheid is om landen de mogelijkheid te geven om importen te verbieden c.q. een importheffing te leggen op goederen waarvan de productie ten koste is gegaan van de biodiversiteit. De zogeheten ‘non-tariff trade barriers’ zouden hiervoor ruimte bieden.

 

Om grote fluctuaties in de prijzen van grondstoffen (zowel biologische als fossiele) te vermijden, kan het interessant zijn om de aloude ‘international trade boards’ nieuw leven in te blazen. Deze ‘boards’ zorgden ervoor dat de prijzen voor grondstoffen binnen een bepaalde bandbreedte bleven door voorraadvorming en exportquota.

 

 

Rol van bedrijven

 

Nederland telt een aantal grote tot zeer grote bedrijven, die hun grondstoffen van over de hele wereld aanvoeren. Daarbij gaat het om zowel fossiele als groene grondstoffen. De ecologische voetafdruk van Nederlandse bedrijven bevindt zich voor 80 procent in het buitenland.

 

Steeds meer bedrijven nemen hun verantwoordelijk als het gaat om duurzaam ondernemen. Dat wordt onder meer geïllustreerd doordat relatief veel Nederlandse ondernemingen hoog scoren op indexen voor  duurzaamheid zoals de Dow Jones Sustainability Index.

 

De ambities op het gebied van duurzame ontwikkeling vertalen zich onder meer in het in kaart brengen en waar mogelijk reduceren van de ecologische voetafdruk. Mede dankzij verplichte (bedrijfsmilieuplannen) en vrijwillige (ISO 14000-certificering) activiteiten wordt de milieubelasting steeds verder teruggedrongen. Via ketenbeheer, geschraagd door levenscyclusanalyse en ‘product stewardship’ worden ook pogingen ondernomen om de milieubelasting in de keten terug te dringen

 

Wat betreft activiteiten specifiek gericht op behoud en versterking van biodiversiteit worden op verschillende schaalniveaus activiteiten ondernomen.

 

–       Het eigen bedrijventerrein: door maaibeheer en aanleg groenstroken, heggen en hagen ruimte maken voor planten, dieren en micro-organismen; aanpassen van verlichting om verstoring van de natuur te voorkomen; minder grondwater oppompen tegen verdroging;

 

–       De keten: drijven stimuleren dat schade aan landschap en biodiversiteit als gevolg van de verbouw of winning van grondstoffen zoveel mogelijk wordt beperkt en waar nodig gecompenseerd. Zoals eerder aangegeven is behoud en versterking van biodiversiteit steeds vaker een criterium voor duurzame grondstoffen;

 

–       De samenleving: met kennisinstellingen, overheden en maatschappelijke organisaties zoeken naar wegen om behoud en versterking van biodiversiteit te integreren in de bedrijfsvoering, zoals het ‘no nett loss’-principe en het verlagen van de discontovoet.

 

 

 

In het kader van TEEB is een stappenplan ontwikkeld voor bedrijven:

 

–       identificeer de impact van uw bedrijf op biodiversiteit en ecosystemen;

–       stel vast in welke mate en op wat voor manier uw bedrijf afhankelijk is van goed functionerende ecosystemen;

–       benoem bedrijfsrisico’s en kansen die hiermee samenhangen;

–       ontwikkel informatie- en meetsystemen voor die risico’s;

–       neem actie om de risico’s te verminderen of –nog beter – te vermijden;

–       inventariseer kansen om biodiversiteit te benutten in de vorm van nieuwe processen, producten en markten;

–       integreer uw strategie voor biodiversiteit met andere initiatieven rond maatschappelijk verantwoord ondernemen;

–       werk samen met andere bedrijven, overheden, maatschappelijke organisaties en kennisinstellingen;

–       vertel waar u mee bezig bent.

 

Rol van maatschappelijke organisaties

 

Recente ervaringen met onder meer FSC-hout, MSC-vis en andere voorbeelden van duurzame handel laten zien dat maatschappelijke organisaties een doorslaggevende rol bij het ontwikkelen van duurzame ontwikkeling van ketens.

 

In overleg met bedrijven worden criteria ontwikkeld voor certificering en worden systemen ontworpen voor monitoring en rapportering. Daarbij wordt dankbaar gebruik gemaakt van de kennis en ervaring die maatschappelijke organisaties op ‘grass roots’-niveau hebben opgedaan in ontwikkelingslanden en in eigen land.

 

Tegelijkertijd vormen maatschappelijke organisaties, mede dankzij hun ‘grass roots’, een brug naar het brede publiek. Ze spelen een belangrijke rol in de communicatie, educatie en bewustwording over het belang van biodiversiteit. Naast de intrinsieke waarde (biodiversiteit als doel), komt daarbij steeds meer de nadruk te liggen op het nut van biodiversiteit voor mens en samenleving (biodiversiteit als middel).

 

Ter gelegenheid van het Jaar van de Biodiversiteit is in 2010 de Coalitie Biodiversiteit gevormd, die inmiddels meer dan 200 partners telt.

 

 

Tot slot

 

Biosphere 2 maakt inmiddels deel uit van de University of Arizona en fungeert als levensgroot laboratorium voor aardwetenschappelijk onderzoek. Daarbij wordt onder meer gekeken naar effecten van klimaatverandering op ecosystemen.

 

Biosphere 2 is ook een toeristische attractie, vergelijkbaar met de verschillende ecosystemen in Burgers Dierenpark. Het is net een filmset, schrijft verslaggever Marguerit Holloway in Scientific American. Alles wat echt lijkt wordt overeind gehouden door een scala aan technische hulpmiddelen.

 

De les van Biosphere 2 is dat we niet weten hoe groot de variatie (de biodiversiteit) moet zijn in Biosphere 1 om nu zeven en straks negen miljard mensen op een prettige manier te laten leven. Zelfs als we dat zouden weten, zijn we niet in staat om een Biosphere 2 te bouwen die zichzelf in stand kan houden. We zullen het dus met Biosphere 1 moeten doen.

 

Essay geschreven i.o.v. de Taskforce Biodiversiteit, maart-april 2011