Alles wordt beter (nou ja, bijna alles)

/, Ecomodernisme, Milieu, Wetenschapsjournalistiek/Alles wordt beter (nou ja, bijna alles)

Volgens de filosoof Karl Popper is optimisme een morele plicht. Maar is er ook reden voor optimisme als we kijken naar de grote problemen waar we voor staan, zoals de groeiende wereldbevolking, klimaatverandering, de uitputting van grondstoffen en de opkomst van het islamitisch terrorisme? Alleszins, vindt wetenschapsjournalist Simon Rozendaal. In zijn nieuwe boek ‘Alles wordt beter – nou ja, bijna alles’ voldoet hij met een aanstekelijk vooruitgangsoptimisme aan zijn morele plicht.

 

Ongeveer de helft van Rozendaals nieuwe boek wordt ingenomen door een litanie van zaken die vroeger viezer, gevaarlijker, enger, pijnlijker en dodelijker waren dan nu. Water en lucht bijvoorbeeld zijn nooit schoner geweest dan nu, zeker niet in de stad, en zelfs het gehalte aan fijn stof is nog maar een fractie van het was, en dalend. Geen reden tot paniek. In de afgelopen honderd jaar hebben we er ook dertig jaar aan levensverwachting bij gekregen, een weekend per week, dankzij een betere gezondheidszorg, maar vooral ook dankzij riolering en vuilophaaldiensten en een betere persoonlijke hygiëne.

 

In zijn opsomming beperkt Rozendaal zich niet tot zaken waar hij in zijn 40-jarige carrière als wetenschapsjournalist veel over heeft geschreven, zoals milieu, energie en gezondheidszorg. Vooruitgang is volgens hem ook dat kindermishandeling en vrouwenhaat niet meer gewoon zijn. Het komt nog wel voor, maar we vinden het niet meer ‘normaal’, net zo min als we het normaal vinden dat talibaan en IS andersdenkenden onthoofden en beelden en tempels vernielen. Terwijl het toch nog maar een paar honderd jaar geleden is dat onze eigen ‘talibaan’, de geuzen, zich niet veel anders gedroegen.

 

Als negatief laten IS en talibaan zien dat we steeds beschaafder worden, steeds beter leren om onze impulsen te onderdrukken. Dat beschavingsproces, voor het eerst beschreven door de socioloog Norbert Elias, is een van de motoren achter de vooruitgang. Een andere belangrijke motor is de menselijke inventiviteit. Weliswaar lijkt technologische ontwikkeling vaak op een Echternachse processie – twee stappen vooruit, een stap terug – maar het gaat wel vooruit. Zo werken we bijvoorbeeld minder dan de helft van het aantal uren – ook in het huishouden – vergeleken met onze (over)grootouders tegen een veelvoud van hun koopkracht.

 

Veel van die vooruitgang hebben we te danken aan het kapitalistisch systeem. In navolging van de econoom Deirdre McClosky en de psycholoog Steve Pinker, stelt Rozendaal, dat het kapitalisme met zijn arbeidsdeling en (internationale) handel een belangrijke motor is van het beschavingsproces, omdat daardoor de onderlinge afhankelijkheid toeneemt. Hij begrijpt dan ook niets van de kruistocht van onder meer Trouw-journalist Joop Bouma tegen de farmaceutische industrie, die zoveel heeft bijgedragen aan onze gezondheid en levensverwachting.

Die kritiek draagt er volgens hem toe bij dat mensen zich afkeren van de ‘sjemiese rotzooi’ en steeds vaker hun toevlucht nemen tot homeopathie en kruidengeneeskunde. Dat is wel wat kort door de bocht. Je kunt veel waardering hebben voor de verworvenheden van  farmaceutisch onderzoek en bedrijvigheid en toch de nodige vraagtekens hebben bij de handelwijze van farmaceutische bedrijven als het gaat om de wijze waarop prijzen worden vastgesteld, vindingen worden beschermd en medicijnen aan de man worden gebracht.

 

Vooruitgangsoptimisme is dus niet alleen een morele plicht, maar wordt volgens Rozendaal ook alleszins gerechtvaardigd door de feiten. Dankzij onze inventiviteit en ons vermogen tot samenwerking, kunnen we ook de problemen van de toekomst het hoofd bieden. Zo lang we maar een beetje nuchter en rationeel blijven, bijvoorbeeld over klimaatverandering. Volgens Rozendaal zijn er steeds meer aanwijzingen dat het klimaat veel minder gevoelig is voor het stijgend CO2-gehalte dan altijd is gedacht. Met een graad of twee temperatuurstijging vergeleken met het jaar 1900 hebben we het wel gehad, denkt hij, dus geen reden voor alarmisme.

 

De oorzaak van de somberheid over de toekomst ligt volgens Rozendaal het feit dat het beeld van de werkelijkheid niet klopt met de feiten. Mede onder invloed van de milieubeweging die de angstkaart speelt door te hameren op risico’s van klimaatverandering, genetische modificatie en kernenergie, blijven we vasthouden aan een sombere toekomstbeeld ook al wijzen de feiten een andere kant op. Het helpt ook niet dat de angstige toekomstvisioenen bijval krijgen van wetenschappers en journalisten, die menen dat de waarheid gemasseerd mag worden omwille van de goede zaak.

 

Zelf heeft Rozendaal zich daar ook schuldig aan gemaakt, bekent hij. Na het ongeval met de kerncentrale van Harrisburg in 1979 schreef hij op de voorpagina van NRC-Handelsblad een artikel onder de kop ‘Radioactieve wolk drijft richting New York’. Terwijl er helemaal geen wolk was, omdat er bij dat ongeval vrijwel geen radioactiviteit is vrijgekomen. Een enorme blunder, schrijft hij nu, maar het gekke was dat iedereen me complimenteerde met het artikel, ik werd ervoor beloond.

 

Het conflict tussen beeld en werkelijkheid leidt ook tot manicheïstisch denken in goede en slechte mensen. Iemand die, zoals Rozendaal zelf, voorstander is van kernenergie kan niet van de natuur houden en zal nooit een notering krijgen in de Duurzame Top 100 van Trouw. Die is bestemd voor de ‘goede’ mensen die in duurzaamheid hoog in het vaandel dragen. Gelukkig voor hen is duurzaamheid een prettig vaag begrip, zo vaag dat iemand met duizenden vliegtuigkilometers op zijn naam, ook best nummer een kan worden. Anders zou die Top 100 louter door onbekende bijstandsgerechtigden worden bevolkt. Zelf heeft Rozendaal het nooit verder geschopt dan de tiende plaats in de Vieze 50 van het VARA-programma Vroege Vogels.

 

Met zijn boek heeft Rozendaal een krachtig pleidooi geschreven voor inventiviteit en beschaving als antwoord op het doemdenken. Dat was ook wel te verwachten na eerdere boeken van zijn hand over dit onderwerp. De vraag is of het ons verder helpt. Het debat tussen doemdenkers en vooruitgangsoptimisten al teruggaat tot de tijd van Thomas Malthus, die in de achttiende eeuw de ondergang van de mensheid voorspelde doordat de bevolking harder groeide dan de voedselproductie. Ook onze tijd kent geen gebrek aan Neo-Malthusianen, zoals Lester Brown en Paul Ehrlich, noch aan opponenten zoals Julian Simon, Bjorn Lomborg en – inderdaad – Simon Rozendaal.

 

Volgens de Amerikaanse politicoloog Roger Pielke is het debat tussen pessimisten en optimisten een herhaling van zetten geworden. Hij pleit voor een derde weg, het eco-modernisme. In essentie komt die erop neer dat mensen hun impact op  de omgeving vergaand moeten verminderen, het ideaal van de milieubeweging. Tegelijkertijd echter verwerpt hij het ideaal dat we in harmonie met de natuur moeten leven. We moeten ons juist minder met de natuur bemoeien en onze menselijke activiteiten intensiveren en concentreren op een zo klein mogelijk oppervlak. Alleen met intensieve landbouw, kern- en zonne-energie en compacte steden kunnen we hopen om klimaatverandering te pareren, armoede te verlichten en natuur en biodiversiteit te sparen.

 

 

Kader:

ECOMODERNISME

 

Met het Ecomodernistisch Manifest dat een paar maanden geleden is verschenen – en inmiddels ook in het Nederlands is vertaald – probeert een aantal vooral Amerikaanse academici en journalisten om de rationaliteit terug te brengen in de discussie over milieu en duurzaamheid. We moeten accepteren dat de aarde steeds meer wordt beïnvloed door de mens; we leven in het tijdperk van het Antropoceen. Tegelijkertijd beschikken we over de kennis en techniek om er een goed Antropoceen van te maken, zowel voor de mensheid als voor de natuur. Intensiveren van landbouw, energievoorziening en huisvesting is de sleutel tot het loskoppelen van menselijke ontwikkeling en natuur.

 

 

Gepubliceerd in Trouw, 7 september 2015

By | 2018-05-24T16:10:43+00:00 september 7, 2015|